plaatje

  :: onderzoek :: Fischer

Hieronder staat de Nederlandse samenvatting van het (engelstalige) proefschrift van Tamar Fischer uit 2004 waarmee zij promoveerde aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Ed Spuijts oproep in de bijdrage hierboven is door haar kennelijk ter harte genomen, want ze doet inderdaad een zeer doorwrochte studie die ook andere factoren meeneemt dan de omgang tussen ex-partners en kinderen.

In tegenstelling tot de beweringen van met name de vaderlobby, die de biologische vader onmisbaar acht in het leven van kinderen, komt Fischer onder andere tot de conclusie dat het contact tussen de uitwonende ouder (doorgaans de vader) en kind in Nederland geen invloed heeft op het welbevinden en schoolsucces van het kind.

Ze toont aan dat over gezamenlijk ouderschap te gemakkelijk wordt gedacht. Co-oudersschap zal niet zomaar tot betere resultaten leiden; alleen onder bepaalde omstandigheden zal frequent contact tussen beide ouders zinvol zijn.

Eén van de stellingen die zij verdedigde luidt: 'In tegenstelling tot wat de recente mediadiscussie over het omgangsrecht voor gescheiden vaders doet vermoeden, is grootschalig empirisch onderzoek naar de mate waarin gebrek aan contact met de vader na een echtscheiding schadelijk is voor kinderen, nog uitermate schaars'.

Ouderlijke scheiding, conflict en hulpbronnen.

De effecten op gedragsproblemen, sociaal-economische uitkomsten en transities in de demografische loopbaan van kinderen.

1 Inleiding

Dit onderzoek richt zich op de relatie tussen ouderlijke echtscheiding en drie categorieën van levensloopuitkomsten bij kinderen; in de eerste plaats het vóórkomen van problematisch gedrag in de kinderjaren, in de tweede plaats het succes in de opleidingsloopbaan en de beroepscarrière en in de derde plaats de huishoudens– en gezinsvorming en –ontbinding van de kinderen. Bij de beschrijving en interpretatie van deze relatie staan de invloed van (veranderende) ouderlijke hulpbronnen en ouderlijk conflict centraal.

Met dit onderzoek wordt dieper ingegaan op de in eerder internationaal onderzoek gevonden verschillen tussen kinderen die een echtscheiding van hun ouders hebben meegemaakt en kinderen die gedurende hun gehele jeugd met hun twee biologische ouders hebben gewoond. Bij de interpretatie van echtscheidingseffecten op de uikomsten van kinderen houden we rekening met de aanwezige hulpbronnen en conflicten in het gezin voorafgaand aan de echtscheiding en met het niveau van conflict en de beschikbaarheid van hulpbronnen voor het kind na de scheiding.

Daarmee kunnen we in de eerste plaats nagaan in welke mate de gevonden verbanden het werkelijke effect van echtscheiding op de uitkomsten van kinderen weerspiegelen en in welke mate de afwijkende uitkomsten a) het gevolg zijn van kenmerken van het gezin die al voor de echtscheiding aanwezig waren (schijnverbanden), of b) juist groter zijn dan in eerste instantie lijkt omdat tegenwerkende effecten van kenmerken uit de situatie voorafgaand aan de echtscheiding een rol spelen (onderdrukte verbanden). In de tweede plaats gaan we in op de interpretatie van echtscheidingseffecten op kinderen aan de hand van de aanwezigheid van conflict vóór en na de echtscheiding en de afname van de beschikbare hulpbronnen in de situatie na de echtscheiding.

Tot slot kan worden nagegaan of er bepaalde groepen kinderen zijn aan te wijzen die een groter risico lopen op negatievere uitkomsten bij een scheiding van de ouders (conditionele effecten), in dit geval kunnen we spreken van een interactie–effect tussen kenmerken in het gezin en het effect van echtscheiding. In Hoofdstuk 1 zijn de onderzoeksvragen geformuleerd, daarbij zijn we uitgegaan van de volgende twee algemene vragen:

1) In welke mate hangt in Nederland, ouderlijk echtscheiding samen met gedragsproblemen, de opleiding en beroepscarrière, en de huishoudens–en gezinsvorming en –ontbinding van kinderen?

2) Welke rol spelen ouderlijke hulpbronnen en ouderlijk conflict in de situatie vóór en de situatie na echtscheiding met betrekking tot de interpretatie van de relatie tussen ouderlijke echtscheiding en de uitkomsten van kinderen in Nederland? In zeven deelvragen wordt vervolgens ingegaan op de verschillende manieren waarop ouderlijke hulpbronnen en conflict kunnen samenhangen met echtscheidingseffecten voor kinderen.

Hoofdstuk 2 bespreekt de verschillende theorieën over de interpretatie van echtscheidingseffecten op de uitkomsten van kinderen.
In de studie gebruiken we levensloopgegevens uit twee verschillende data-bronnen: de Familie-enquêtes Nederlandse Bevolking 1998 en 2000 en het survey Scheiding in Nederland 1998.
Deze surveys bevatten beide een rijke hoeveelheid aan informatie over de gezinssituatie en individuele kenmerken van ouders en kinderen. De Familie-enquêtes bevatten met name uitvoerige informatie over de verschillen in de levensloop van kinderen met al dan niet gescheiden ouders.
Daarnaast is in deze data uitgebreide informatie beschikbaar over de situatie in het ouderlijk gezin, er is echter niet afzonderlijk gevraagd naar hulpbronnen en conflicten in de situatie vóór en in de situatie na de eventuele echtscheiding. Deze informatie is wel in zeer gedetailleerde vorm beschikbaar in het survey Scheiding in Nederland. De twee surveys zijn daarom naast elkaar gebruikt om onze onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden.

2 Echtscheiding, ouderlijke hulpbronnen en de uitkomsten van kinderen

Uit de stratificatie literatuur is bekend dat de kansen van kinderen in sterke mate worden beïnvloed door de aanwezigheid van financiële, culturele en sociale hulpbronnen tijdens de jeugd. Voor de interpretatie van echtscheidingseffecten zijn theorieën over effecten van hulpbronnen en het verlies van hulpbronnen van groot belang. In de eerste plaats omdat de hulpbronnen een invloed kunnen hebben op de kans dat een huwelijk eindigt door een echtscheiding, in de tweede plaats omdat een echtscheiding de beschikbaarheid van hulpbronnen voor het kind beïnvloedt en in de derde plaats omdat de aanwezigheid van hulpbronnen de grootte van het echtscheidingseffect kan beïnvloeden.


Schijn- of onderdrukte-verbanden tussen echtscheiding en de uitkomsten van kinderen Wanneer we te maken hebben met hulpbronnen die de kans dat een huwlijk eindigt door echtscheiding beïnvloeden, dan zal een selectieve groep kinderen met een echtscheiding te maken krijgen. Bij het vaststellen van echtscheidingseffecten is het van groot belang hiermee rekening te houden omdat anders een vertekende schatting van de effecten zal worden gevonden. De effecten zullen onderschat worden als het kenmerk dat de echtscheidingskans verhoogt, tegelijkertijd een zelfstandig positief effect heeft op de uitkomsten van de kinderen (bijvoorbeeld het opleidingsniveau van de moeder). De effecten zullen daarentegen overschat worden als een kenmerk dat de echtscheidingkans verlaagt, tegelijk een zelfstandig positief effect heeft op de uitkomsten van de kinderen (bijvoorbeeld het inkomen van het gezin). De eerste vraag over de invloed van hulpbronnen en de relatie tussen echtscheiding en de uitkomsten van kinderen luidt: In welke mate is de associatie tussen echtscheiding en de uitkomsten van kinderen spurieus of onderdrukt door de aanwezige ouderlijke hulpbronnen in de situatie voor de echtscheiding.

In hoofdstuk 3 is voor een variatie aan levensloopuitkomsten van kinderen een vergelijking gemaakt tussen het ‘bivariate’ verband met het al dan niet meemaken van een ouderlijke echtscheiding en het verband met echtscheiding nadat rekening is gehouden met de aanwezige hulpbronnen in de situatie voor de echtscheiding. De verwachting is dat financiële hulpbronnen een schijnverband veroorzaken. Een negatieve financiële situatie verhoogt immers de echtscheidingskans en heeft een zelfstandig negatief effect op diverse uitkomsten van kinderen.

Het blijkt inderdaad dat de associatie tussen echtscheiding en de opleiding van kinderen gedeeltelijk als schijnverband moet worden geïnterpreteerd (voor ongeveer 20%). Dit schijnverband wordt veroorzaakt door verschillen in financiële hulpbronnen in de situatie voor echtscheiding. Voor de andere uitkomsten die in dit hoofdstuk zijn geanalyseerd, berust de associatie tussen echtscheiding en de scores van de kinderen niet op een schijnverband, tenminste niet een dat wordt veroorzaakt door verschillen in financiële hulpbronnen van de ouders. Deze uitkomsten zijn: gedragsproblemen van kinderen, de leeftijd waarop kinderen het ouderlijk huis verlaten, de leeftijd waarop zij voor het eerst gaan samenwonen, de kans dat zij gaan trouwen wanneer zij met een partner (gaan) samenwonen, en de kans op relatieontbinding in de eerste eigen relatie van het kind.

Wanneer we het ‘bivariate’ verband van echtscheiding met de uitkomsten van kinderen vergelijken met het verband nadat is gecontroleerd voor de culturele hulpbronnen in het gezin komen we opnieuw tot de conclusie dat alleen de associatie van echtscheiding met de opleiding van kinderen veranderd is. Ditmaal blijkt het verband sterker te worden als we rekening houden met het niveau van de hulpbronnen en ook deze bevinding is conform onze hypothese.

Hulpbronnenverlies na echtscheiding en de uitkomsten van kinderen
Een echtscheiding gaat vaak samen met het verlies aan hulpbronnen en dit verlies vormt volgens de hulpbronnen theorie een belangrijke verklaring voor de negatieve effecten van ouderlijke echtscheiding op kinderen. Deze theorie is uitgebreid getoetst in onder meer de Verenigde Staten en Groot Brittanië, maar voor veel andere landen waaronder Nederland is de toetsing nog beperkt. Daar zowel het gemiddelde verlies van hulpbronnen na een echtscheiding als de invloed van hulpbronnen op de succeskansen van kinderen op zichzelf, sterk kunnen verschillen tussen samenlevingen, mogen bevindingen uit bijvoorbeeld de Verenigde Staten niet zonder meer worden overgenomen voor andere landen en is apart onderzoek noodzakelijk. Voor Nederland bestond reeds onderzoek naar de verklaring van echtscheidingseffecten aan de hand van hulpbronnenverlies maar in dit onderzoek was de verzameling uitkomstvariabelen beperkt. Daarnaast werd slechts in beperkte mate gecontroleerd voor kenmerken uit de situatie die vooraf ging aan de echtscheiding. De tweede deelvraag over de relatie tussen echtscheidingseffecten en ouderlijke hulpbronnen luidt: In welke mate kan het effect van echtscheiding op de uitkomsten van kinderen worden verklaard door het verlies van hulpbronnen na de echtscheiding?

Hoofdstuk 4 analyseert voor twee uitkomsten, namelijk het bereikte opleidingsniveau en de leeftijd waarop kinderen het ouderlijk huis verlaten, in welke mate echtscheidingseffecten kunnen worden verklaard door het verlies van financiële en culturele hulpbronnen. In de analyses van dit hoofdstuk is tevens rekening gehouden met de conflictsituatie in de familie vóór de echtscheiding, waardoor we in zeker zin kunnen spreken van een simultane test van de twee theorieën die in deze studie centraal staan.
Bovendien zijn de echtscheidingseffecten op het opleidingsniveau apart bestudeerd voor kinderen die op jonge leeftijd een echtscheiding meemaakten (voor hun 11de jaar) en voor kinderen die tussen 11 en 14 een echtscheiding meemaakten. Na controle voor conflicten en hulpbronnen tijdens het huwelijk blijkt er alleen nog een echtscheidingseffect op de opleiding van kinderen te bestaan wanneer de ouders uit elkaar gegaan zijn toen het kind tussen leeftijd 11 en 14 was. Deze kinderen volgen bijna een jaar minder onderwijs dan kinderen waarvan de ouders getrouwd bleven totdat het kind tenminste 15 was.
Van dit echtscheidingseffect blijkt ongeveer 20% te worden verklaard door het verlies van financiële hulpbronnen. Het verlies van culturele hulpbronnen, gemeten aan de hand van de opleidingsverschillen tussen de vader en de moeder, geeft geen verklaring voor het echtscheidingseffect op kinderen.

Door hertrouw kan de aanwezigheid van hulpbronnen in een gezin weer toenemen; daarom kan een compenserend effect van hertrouw na een echtscheiding op het opleidingsniveau van kinderen worden verwacht. Deze hypothese wordt door dit onderzoek alleen bevestigd voor stabiele stiefgezinnen, waarbij de stiefvader veel hulpbronnen bezit. Kinderen die daarentegen na een echtscheiding van de biologische ouders in een instabiel stiefgezin terecht komen en een tweede echtscheiding meemaken hebben duidelijk slechtere opleidingsuitkomsten dan kinderen die na een echtscheiding in een eenoudergezin blijven wonen.

Voor het echtscheidingseffect op de beslissing van kinderen om het ouderlijk huis te verlaten is de theorie minder succesvol. Kinderen van gescheiden ouders tussen de leeftijd 14 en 23 hebben gemiddeld een twee keer zo hoge odds om het ouderlijk huis te verlaten (gegeven dat zij nog thuis wonen) als kinderen die geen echtscheiding meemaakten.
Dit effect wordt echter niet verklaard door het verlies aan financiële of culturele hulpbronnen na de echtscheiding. Er zijn ook geen significante verschillen gevonden tussen kinderen die in een eenoudergezin, in een stabiel stiefgezin, of in een instabiel stiefgezin woonden na de echtscheiding.

Conditionele effecten van hulpbronnen op echtscheidingseffecten
De derde vraag over hulpbronnen in deze studie luidt: In welke mate is de aanwezigheid van hulpbronnen vóór de echtscheiding conditioneel voor de grootte van het echtscheidingseffect?
In hoofdstuk 5 gaan we voor de verschillende typen hulpbronnen na in welke mate zij het echtscheidingseffect op de uitkomsten van kinderen beïnvloeden. In dit hoofdstuk bestuderen we effecten op zowel de onderwijs- en beroepsloopbaan als de huishoudens–en gezinsvorming en – ontbinding van kinderen.

De verwachting voor de eerste groep van uitkomsten (onderwijs en arbeidsmarkt) is dat het effect van echtscheiding zwakker is in gezinnen waar de moeder veel hulpbronnen bezit (gemeten in de situatie vóór de scheiding). Moeders met voldoende hulpbronnen zullen naar verwachting beter in staat zijn om het verlies aan hulpbronnen na de echtscheiding te compenseren.
De verwachtingen over de rol die de hulpbronnen van de vader spelen zijn minder eenduidig. In de eerste plaats kan verwacht worden dat het echtscheidingseffect sterker zal zijn als de vader veel hulpbronnen heeft omdat deze hulpbronnen na de echtscheiding in ieder geval gedeeltelijk niet toegankelijk zijn voor de kinderen. Aan de andere kant kan men verwachten dat vaders met veel hulpbronnen beter in staat zijn het verlies van hulpbronnen voor de kinderen na de echtscheiding in te perken onder andere door het betalen van meer alimentatie, het initïeren van frequent contact met de kinderen en het onderhouden van een redelijke relatie met de ex-partner.

De bevindingen bevestigen onze verwachtingen over de compenserende werking van de hulpbronnen van de moeder; het echtscheidingseffect op het opleidingsniveau verdwijnt zelfs voor kinderen waarvan de moeder veel hulpbronnen bezit. Voor kinderen waarvan de moeder weinig eigen hulpbronnen bezit is het negatieve effect juist extra sterk.
Ook voor de kortere termijn effecten van echtscheiding op de opleidingscarrière en voor de langere termijn effecten op de huidige beroepstatus van de kinderen vinden we een vergelijkbare maar minder sterke invloed van de hulpbronnen van de moeder op het echtscheidingseffect.
Voor de hulpbronnen van de vader blijkt de eerste hypothese op te gaan: wanneer de vader meer hulpbronnen bezit is het effect van de echtscheiding op de opleidings- en beroepsloopbaan van het kind sterker.
Voor de tweede groep van uikomsten: huishoudens–en gezinsvorming en –ontbinding, verwachten we minder uitgesproken effecten van economische hulpbronnen.
Van de opleidingshulpbronnen van de ouders verwachten we wel een duidelijk effect, hier gaat het echter niet om een direct effect van de hulpbronnen maar van een effect van de waarden en normen die met dergelijke hulpbronnen samenhangen. Culturele hulpbronnen hangen samen met meer moderne, individu georiënteerde waarden waarin alternatieve samenlevingsvormen, het uitstellen van trouwen en kinderen krijgen en echtscheiding meer geaccepteerd worden.

Een belangrijke verklaring van het echtscheidingseffect op de huishoudens vorming van kinderen is dat ervaring met echtscheiding leidt tot meer acceptatie of het uit de taboesfeer komen van alternatieve gezinsvormen en van echtscheiding zowel in de omgeving als bij de kinderen zelf. Wanneer deze acceptatie al groot was zal de echtscheiding niet veel verandering meer brengen in de waarden en normen van de kinderen en van hun omgeving.

De verwachtingen worden niet bevestigd, er zijn geen conditionele effecten gevonden van de culturele hulpbronnen van de ouders. Daarnaast blijken kinderen van moeders met meer economische hulpbronnen sterker door de echtscheiding te worden beïnvloed als het gaat om meer moderne huishoudensvorming (samenwonen voor het huwelijk).
Mogelijk hebben we hier te maken met een stimulerend rolmodel van gescheiden moeders die voldoende mogelijkheden hadden het zelfstandig te redden. Deze moeders hebben hun kinderen geleerd dat het belangrijk is om onafhankelijk te kunnen zijn van een relatie.

Samenvattend kunnen we zeggen dat de echtscheidingseffecten niet constant zijn over gezinnen. Voor echtscheidingseffecten op de opleiding en beroepsloopbaan vinden we ondersteuning van de theorie van verlies en compensatie van hulpbronnen. Voor de huishoud– en gezinsvorming en –ontbinding van kinderen vinden we geen bevestiging voor hulpbronnen hypothesen en ook niet voor de hypothese over de discrepantie van waarden en normen.

3 Echtscheiding, ouderlijk conflict en de uitkomsten van kinderen

Naast ouderlijke hulpbronnen is ook de kwaliteit van familie-relaties van groot belang voor de ontwikkeling van kinderen en jongeren en daarmee voor de kwaliteit van verschillende levensloopuitkomsten. De kwaliteit van de relatie tussen de ouders is een belangrijk onderdeel hiervan.
Daar de kwaliteit van deze relatie ook sterk samenhangt met de kans op een ouderlijke echtscheiding, is het een belangrijk kenmerk in de interpretatie van echtscheidingseffecten op de uitkomsten van kinderen.

Om een juist begrip te krijgen van het echtscheidingseffect op de levensloop van kinderen is het opnieuw van belang onderscheid te maken tussen de periode vóór en de periode na de echtscheiding. Het is hier echter minder eenvoudig om een expliciete scheiding te maken tussen conflict als bron van een schijnverband en conflict als intermediërende determinant voor het echtscheidingseffect op de uitkomsten van kinderen.

In de meeste gezinnen is het conflictniveau namelijk alles behalve een constante factor over de tijd en bovendien is het niet duidelijk hoe de causaliteit tussen conflict en echtscheiding precies verloopt. Vaak neemt de ernst van conflicten tussen de ouders toe naarmate een echtscheiding dichterbij komt; na de echtscheiding nemen de conflicten vervolgens eerst nog in ernst toe om vervolgens geleidelijk af te nemen.
Door deze dynamische aard van ouderlijk conflict en de sterke correlatie tussen conflict vóór en na de echtscheiding, kan de echtscheiding naast een onafhankelijke gebeurtenis ook gezien worden als een endogeen onderdeel van het conflictproces.

Ouderlijke conflicten tijdens het huwelijk
Met het oog op deze minder eenduidige relatie tussen echtscheiding en ouderlijk conflict hebben onze onderzoeksvragen over de rol van conflict in de interpretatie van het echtscheidingseffect een wat andere structuur dan de vragen over hulpbronnen en echtscheidingseffecten. De eerste vraag luidt nu: In welke mate kan de associatie tussen echtscheiding en de uitkomsten van kinderen worden geïnterpreteerd als een uitkomst van verschillen in ouderlijk conflict die kinderen ervaren in families die intact zullen blijven en in families waar een echtscheiding zal plaatsvinden?

Om deze vraag te beantwoorden vergelijken we in hoofdstuk 3 het ‘bivariate’ verband van een ouderlijke echtscheiding met de uitkomsten van kinderen met het verband tussen echtscheiding en de uitkomsten van kinderen nadat gecontroleerd is voor de hoeveelheid ouderlijk conflict in het gezin. Naast de invloed van onderling conflict tussen de ouders kijken we in dit hoofdstuk ook naar de invloed van conflicten van de ouders met personen of instanties buiten het gezin en naar de invloed van ernstige psychologische problemen bij de ouders. Hierdoor kunnen we nagaan of het negatieve conflict effect alleen een effect is van vijandigheid ‘tussen’ de ouders of dat het mogelijk mede veroorzaakt wordt door een meer algemene neiging tot conflict in een gezin.
De verwachting is dat een gedeelte van het echtscheidingseffect verdwijnt wanneer we rekening houden met de hoeveelheid conflicten en problemen in het gezin.

De resultaten ondersteunen onze verwachting voor de volgende kinduitkomsten:
gedragsproblemen van het kind, het behaalde onderwijs niveau, de leeftijd waarop het kind het ouderlijk huis verlaat en de kans op een echtscheiding in de eigen relatie van het kind.

De echtscheidingseffecten die het sterkst veranderen wanneer rekening wordt gehouden met conflict tijdens het huwelijk zijn de effecten op gedragsproblemen (afname van 50 procent) en op het opleidingsniveau (61 procent afname).
Het is opmerkelijk, dat voor gedragsproblemen van kinderen met name conflicten met actoren buiten het gezin en psychologische problemen van de ouders van belang zijn.
Het echtscheidingseffect op de opleiding wordt daarentegen met name verklaard door conflicten tussen de ouders.

Daarnaast neemt het echtscheidingseffect op de leeftijd waarop kinderen het ouderlijk huis verlaten ongeveer met een derde af na controle voor conflicten tussen de ouders en psychologische problemen en het effect op de eigen echtscheidingskans van kinderen daalt met 22 procent.
Voor de andere uitkomsten die we in dit hoofdstuk bestuderen wordt de verwachting niet ondersteund. Deze uitkomsten zijn: de leeftijd waarop een kind voor het eerst gaat samenwonen of trouwen en de kans dat een kind gaat trouwen, gegeven dat het kind samenwoont of gaat samenwonen.

Een andere belangrijke conclusie is dat het voor kinderen nadeliger is om ouders te hebben die ernstige conflicten hebben dan om een ouderlijke echtscheiding mee te maken. De bevindingen suggereren dat het voor kinderen van wie de ouders veel conflict hebben beter is wanneer de ouders gaan scheiden.

Deze suggestie gaat er echter wel vanuit dat een echtscheiding de conflicten tussen de ouders beëindigt en het is onzeker in welke mate die assumptie geldig is.


Conflicten vóór en na de echtscheiding
Om meer inzicht te krijgen in het verband tussen het niveau van ouderlijk conflict vóór en ouderlijk conflict na een echtscheiding, gaan we in hoofdstuk 6 in op de vraag: Wat zijn de determinanten voor de aanwezigheid van contact en conflict tussen de ouders na de scheiding?
Deze vraag richt zich niet alleen op conflicten tussen de ouders, maar ook op de afwezigheid van contact, omdat ook het volledig verbreken van de relatie als een negatieve uitkomst van de echtscheiding kan worden beschouwd, met name wanneer de ex-echtgenoten samen kinderen hebben.

Hoofdstuk 6 geeft een beschrijving van de frequentie en aard van contacten tussen exechtgenoten in Nederland. De resultaten wijzen uit dat tien jaar na de echtscheiding bijna 50 procent van de gescheidenen in Nederland nog contact hebben met de ex-echtgenoot.
Voor gescheidenen met kinderen is dit ruim 70 procent. Bij gescheidenen zonder kinderen leidt een echtscheiding vaker tot een werkelijke breuk hier heeft na tien jaar nog 30 procent van de exechtgenoten contact.
Tot slot bleek dat gescheidenen met kinderen kort na de scheiding vaker vijandig contact hebben, maar dat na verloop van tijd (ongeveer 7 jaar) de grootste groep contact heeft waarbij geen ernstige conflicten meer voorkomen.

De hypothesen over de determinanten van contact en conflict na de echtscheiding betreffen hypothesen over de duur sinds de echtscheiding, banden die opgebouwd zijn in het huwelijk, conflicten die aanwezig waren in het huwelijk, levensloopgebeurtenissen na het huwelijk, waarden over relatie en gezin en persoonlijkheidskenmerken.

De resultaten leiden tot vier algemene conclusies.
In de eerste plaats zijn banden die zijn opgebouwd tijdens het huwelijk belangrijke determinanten voor de voortgang van het contact tussen ex-echtgenoten na een scheiding. Niet alleen de aanwezigheid van kinderen vergroot de kans op contact na de echtscheiding maar ook eigen–huis–bezit en de duur van het huwelijk voor de echtscheiding.
In de tweede plaats blijkt het type conflict tijdens het huwelijk van belang voor de aard van de relatie na de scheiding. Wanneer er conflicten van relationele aard waren tijdens het huwelijk en wanneer de conflicten betrekking hadden op problematisch gedrag van een van de partners, is de kans dat het contact tussen de ex-echtgenoten blijft bestaan groter en is dit contact vaker vijandig.
Wanneer de conflicten tijdens het huwelijk van meer praktische aard waren, leidt een echtscheiding vaker tot een werkelijke breuk en is er minder vriendelijk maar vooral minder vijandig contact na de echtscheiding.
In de derde plaats blijkt dat de band tussen ex-echtgenoten verbroken wordt door nieuwe gebeurtenissen in de levensloop van de ex echtgenoten. Zowel het ouder worden van de gezamelijke kinderen als de komst van een nieuwe partner leiden tot een afname van contact, deze afname is het sterkst voor vijandig contact.
In de vierde plaats hangt de aard van de relatie na een echtscheiding af van individuele kenmerken van de ex-echtgenoten. Wanneer de ex-echtgenoten er meer liberale waarden over relatie- en gezinsvorming op na houden, hebben zij vaak meer contact met de ex-echtgenoot na de scheiding. Deze modernere waarden leiden echter niet alleen tot meer vriendelijk contact maar in bijna even sterke mate tot vijandig contact.
Daarnaast blijkt dat mensen die hoog scoren op een schaal voor neuroticisme vaker vijandig contact hebben met de ex-echtgenoot. Dit is een belangrijke conclusie omdat het aangeeft dat bepaalde, meer kwetsbare, mensen negatievere gevolgen van een echtscheiding ondervinden. Voor deze mensen en voor hun kinderen, cumuleren daarmee negatieve gevolgen over de levensloop.


Ouderlijk conflict voor en na de echtscheiding en de uitkomsten van kinderen
Hoofdstuk 7 gaat in op de volgende vraag: Wat zijn de zelfstandige effecten van het niveau van conflict vóór en na de scheiding op de uitkomsten van kinderen, wanneer rekening wordt gehouden met het andere type conflict?
In dit hoofdstuk concentreren we ons op kinderen met gescheiden ouders.

Onze verwachting is dat beide typen conflict een zelfstandige negatieve invloed op de uitkomsten van kinderen hebben. We toetsen deze verwachting voor gedragsproblemen en het schoolsucces van de kinderen en de bevindingen verschillen voor de twee uitkomsten.

In de eerste plaats vinden we geen effect van conflicten tussen de ouders in de situatie vóór of na de echtscheiding op gedragsproblemen van kinderen.
Wel blijkt dat wanneer ouders veel problemen met actoren buiten het gezin hebben, kinderen meer gedragsproblemen vertonen. Hier blijkt dus dat kinderen niet alleen nadelig beïnvloed worden door problemen tussen de ouders maar ook door andere sociale problemen van de ouders.
Voor het schoolsucces van de kinderen vinden we wel een effect van ouderlijke conflicten vóór de scheiding en geen significante invloed van conflicten na de scheiding.

De situatie na een echtscheiding wordt behalve door conflicten ook sterk bepaald door het contact dat de uitwonende ouder (meestal de vader) nog met het kind onderhoudt.
Bestaande studies vonden, in tegenspraak met de verwachtingen, vaak geen positief effect van de contactfrequentie tussen de vader en het kind, op de uitkomsten van het kind.
Om deze onverwachte bevinding te verklaren wordt meestal het argument gebruikt dat frequent contact met de vader alleen een positieve invloed op het kind heeft wanneer de kwaliteit van dit contact goed is.

In onze studie hebben wij de mogelijkheid om het effect van vader-kind contact apart te bekijken voor kinderen in gezinnen waarin de ouders veel ruzie hebben na de echtscheiding en gezinnen waarin een min of meer harmonieuze relatie tussen de ouders bestaat.
Onze verwachting is dat in gezinnen met veel conflict, frequenter contact tussen de vader en het kind een negatief effect heeft op de (korte termijn) uitkomsten van de kinderen, terwijl in gezinnen zonder conflict een positief effect gevonden zou moeten worden.
Deze verwachting wordt niet ondersteund in de analyses. We vinden geen positief effect van de contactfrequentie tussen de vader en het kind op het gedrag of het schoolsucces van het kind en deze conclusie geldt zowel voor gezinnen waarin de ouders ernstig conflict na de scheiding hebben als voor gezinnen waar de ouders geen conflicten meer hebben na de echtscheiding.

Conditionele effecten van ouderlijke conflicten op echtscheidingseffecten
Zoals reeds beschreven voor ouderlijke hulpbronnen, kunnen kenmerken van het gezin in de situatie vóór de echtscheiding de grootte van het uiteindelijke echtscheidingseffect beïnvloeden. Daarom gaan we in hoofdstuk 3 na: In welke mate het niveau van conflict vóór de echtscheiding conditioneel is voor het echtscheidingseffect op de uitkomsten van kinderen?
Verschillende argumenten leiden tot de verwachting dat echtscheidingseffecten sterker zijn voor kinderen uit gezinnen waarin minder ernstig ouderlijk conflict aanwezig was gedurende het huwelijk.
In de eerste plaats zijn kinderen beter af als ze bevrijd worden van de ernstige huwelijksconflicten tussen de ouders.
In de tweede plaats komt een echtscheiding voor kinderen uit gezinnen met minder conflict vaker onverwachts.
De derde verklaring is vooral van belang voor de eigen relatie-carrière van kinderen. Deze verklaring zegt dat hoewel in het algemeen echtscheiding leidt tot een lager commitment bij kinderen ten opzichte van het huwelijk, dit niet geldt wanneer kinderen meemaken dat een uitermate problematisch huwelijk wordt ontbonden door echtscheiding.

Naar aanleiding van deze argumenten en de bevindingen van bestaande studies uit andere landen formuleren wij de hypothese dat echtscheidingseffecten sterker zijn naarmate er minder conflict was in de gezin tijdens het huwelijk. We toetsen deze hypothese voor de volgende uitkomsten van kinderen: de aanwezigheid van gedragsproblemen, de opleiding, het verlaten van het ouderlijk huis, het starten van de eerste samenwoonrelatie, trouwen en scheiding. Voor geen van de uitkomsten wordt echter het verwachtte verband gevonden.

4 Conclusie en discussie

Wat heeft deze studie ons nu geleerd over de betekenis van hulpbronnen– en conflicttheorieën bij de interpretatie van echtscheidingseffecten op kinderen in Nederland?
Van alle vragen die we in deze studie stellen over de invloed van hulpbronnen, besteedde eerder onderzoek het meeste aandacht aan de vraag in welke mate echtscheidingseffecten verklaard worden door het verlies van hulpbronnen na een echtscheiding.

Deze studie toont aan dat het belangrijk is expliciet rekening te houden met de aanwezige hulpbronnen vóór de scheiding. In de eerste plaats blijkt dat sommige hulpbronnen het effect van echtscheiding op met name succes in het onderwijs onderdrukken en andere een schijnverband veroorzaken. Adequate controle voor deze hulpbronnen is dus van belang om het juiste echtscheidingseffect op deze uitkomst te vinden.
In de tweede plaats toont deze studie dat de verdeling van de hulpbronnen tussen de ouders in de situatie voor de scheiding invloed heeft op de grootte van het echtscheidingseffect op een aantal uitkomsten.

Waneer de moeder (de verzorgende ouder in deze analyses) veel hulpbronnen heeft dan is er geen effect van echtscheiding op de onderwijs– en beroepsloopbaan van de kinderen.

Wanneer de vader veel hulpbronnen bezit is het effect van echtscheiding op deze uitkomsten juist extra groot. Deze bevindingen leveren interessante informatie voor theorieën over intergenerationele mobiliteit en vragen om nader onderzoek naar de kwantiteit en de effectiviteit van de overdracht van hulpbronnen tussen ouders en kinderen na een echtscheiding.

Zoals gezegd is in bestaande studies al veel aandacht besteed aan de verklaring van echtscheidingseffecten door het hulpbronnenverlies dat na de scheiding optreedt. Voor Nederland is het aantal studies hierover echter maar klein.
Een belangrijk voordeel van onze studie is bovendien dat we de theorie over hulpbronnenverlies toetsen voor echtscheidingseffecten die vooraf gecontroleerd zijn voor het niveau van conflicten tussen de ouders vóór de echtscheiding. Hierdoor weten we met meer zekerheid dat de verklaring die we vinden een verklaring van het werkelijke echtscheidingseffect betreft.

Naast deze min of meer directe test van de theorie over hulpbronnenverlies, bieden ook de analyses naar de effecten van stiefouders en de analyses naar de effecten van de timing van echtscheiding ondersteuning voor de hulpbronnentheorie.
Aan de hand van het onderscheid naar verschillende typen stiefgezinnen (stabiel en instabiel) en naar de hoeveelheid ingebrachte hulpbronnen door de stiefouder, krijgen we een beter begrip van stiefouder–effecten. De bevindingen over de timing van een ouderlijke echtscheiding geven aan dat hulpbronnenverlies van belang is en dat de mate waarin het van belang is, afhangt van de timing van het verlies.

Tevens leiden deze analyses tot de belangrijke conclusie dat de duur dat kinderen in een eenoudergezin wonen geen belangrijke factor is in het totstandkomen van het uiteindelijke echtscheidingseffect.

Veel belangrijker blijkt de timing ten opzichte van belangrijke transities in de onderwijsloopbaan en het aantal scheidingen dat een kind meemaakt in het huishouden te zijn. De studie levert ook een aantal inzichten over de rol van ouderlijk conflict.
Op de eerste plaats blijkt dat ouderlijk conflict voor meer uitkomstcategorieën een (gedeeltelijke) interpretatie van het echtscheidingseffect geeft dan de hulpbronnen verklaring. Behalve voor gedragsproblemen en sociaal-economische uitkomsten bieden conflicten ook uitleg voor echtscheidingseffecten op het verlaten van het ouderlijk huis en op de kans op echtscheiding voor de kinderen.
Een tweede belangrijk inzicht is, dat niet alleen conflicten tussen de ouders van belang zijn bij de interpretatie van echtscheidingseffecten, maar ook andere sociale problemen in het gezin. Deze bevinding duidt op het grote belang om in toekomstig onderzoek naar meer aspecten van het gezinsleven te kijken dan alleen naar de relatie tussen de ouders.
In de derde plaats is er een sterke aanwijzing dat het belang van conflicten relatief groot is in verhouding met het belang van hulpbronnen in de interpretatie van echtscheidingseffecten. Deze conclusie mag echter vooralsnog niet te absoluut worden geïnterpreteerd, omdat we voor deze vergelijking niet naar het volledige conflictverloop in het gezin (vóór en na de scheiding) hebben gekeken.
In de vierde plaats laat deze studie zien dat conflicten tijdens het huwelijk niet als een geïsoleerde factor moet worden gezien in het echtscheidingsproces.

Huwelijksconflicten hangen namelijk zowel samen met de kans op echtscheiding van de ouders als met de kwaliteit van de relatie tussen de ouders en tussen de afwezige ouder (meestal de vader) en het kind na de echtscheiding. Hoewel het voor de hand ligt dat deze relaties bestaan, was er nog weinig bekend over de aard en sterkte van deze relaties.

Tot slot zijn onze conclusies over de relatieve invloed van conflicten vóór en conflicten na de echtscheiding op de uitkomsten van kinderen relevant met betrekking tot de vraag of het voor kinderen van ouders met veel conflict beter is wanneer de ouders gaan scheiden.

Uit de resultaten kan de conclusie getrokken worden dat een echtscheiding in zo’n geval inderdaad de beste oplossing is, maar gegeven de methodologische beperkingen van de studie moet ook deze conclusie met voorzichtigheid gehanteerd worden.