plaatje

  :: onderzoek :: Spruijt & Van der Valk

Van 14 tot en met 20 november 2004 werd er een themaweek Huiselijk Geweld georganiseerd.

Ed Spruijt is socioloog van dienst bij de Raad voor Kinderbescherming; hij stelde eerder in opdracht van de Raad de bundel 'Het verdeelde kind' samen, waarin verschillende onderzoekers een literatuurstudie doen naar de gevolgen van scheidingen voor kinderen.

Spruijt heeft voor die themaweek in 2004 een artikel geschreven met Inge van der Valk, dat enigzins duidelijk maakt waarom de vaderlobby zo'n hekel heeft aan deze man.
Hij en Van der Valk zetten in dit artikel uiteen dat er in het verleden door scheidingsonderzoekers te weinig naar andere factoren is gekeken dan de scheiding zelf en het ontbreken van de biologische vader.
Nieuwere onderzoeken kijken naar meer processen en komen tot heel andere conclusies dan de eerdere structureel-freudiaans geïnspireerde onderzoekers waar de vaderbeweging zich op baseert.

We hebben het hele artikel in PDF-formaat online staan [11 zeer overzichtelijke pagina's] en presenteren hieronder de conclusie van hun artikel.


Conclusie


Wat heeft de bestudering van de recente, sociaal wetenschappelijke literatuur over scheiding bezien vanuit het uitgangspunt van kinderen, opgeleverd?
In de eerste plaats dat openlijke en chronische ouderlijke conflicten voor, tijdens, en na de scheiding, voor kinderen zeer nadelig zijn.
In de tweede plaats dat echtscheiding geen losstaande gebeurtenis is, maar een proces dat gemiddeld jaren duurt.
In de derde plaats dat de nadelige effecten voor kinderen in het laatste decennium niet zwakker zijn geworden, maar juist sterker.
In de vierde plaats dat de gevolgen voor kinderen soms tot ver in de volwassenheid voortduren.

Uit de voorgaande paragrafen komt duidelijk naar voren dat het verband tussen het functioneren van kinderen en de scheiding van hun ouders complex is en dat verschillende factoren daarbij een rol spelen.
Bevindingen uit onderzoek op dit gebied spreken elkaar soms ook tegen. Dit kan deels verklaard worden door verschillen in populaties tussen onderzoeken, door de manier waarop variabelen in verschillende studies zijn gedefinieerd en geoperationaliseerd, en door andere methodologische kenmerken van onderzoeken.
Maar overeenkomstig andere overzichtsstudies op dit terrein (o.a. Amato, 2001; Hetherington, Bridges & Insabella, 1998; Reifman, Villa, Amans, Rethinam& Telesca, 2001) kan geconcludeerd worden dat, als het gaat om het voorspellen en verklaren van het functioneren van kinderen na de ouderlijke scheiding, een complex van factoren een rol speelt.

Nog maar een paar decennia geleden zou elke bespreking over echtscheiding en kinderen als uitgangspunt hebben gehad dat het opgroeien in een eenoudergezin slechter is dan het opgroeien in een tweeoudergezin en dat kinderen met gescheiden ouders dus in het nadeel zijn ten opzichte van kinderen uit intacte gezinnen.

Het onderzoek uit die tijd werd ook meestal opgezet vanuit de deficit-comparison hypothese.
De opvattingen over echtscheiding en de gevolgen ervan voor kinderen zijn de laatste jaren echter veranderd en meer recente en meer geavanceerde onderzoeken hebben conclusies van eerder onderzoek verduidelijkt.
Alhoewel er onder de meeste sociaal wetenschappers overeenstemming bestaat over het feit dat kinderen die een ouderlijke scheiding meemaken meer moeilijkheden ondervinden dan degenen die opgroeien in traditionele intacte gezinnen, ligt de verklaring hiervan gecompliceerder dan de simpele bewering dat twee ouders beter zijn dan één en dat voor een gunstige ontwikkeling ieder kind zowel een vader als een moeder nodig hebben.

In het meeste onderzoek is tegenwoordig ook een combinatie van theoretische uitgangspunten terug te vinden.
Ten eerste komt uit steeds meer onderzoeken naar voren dat niet zozeer het aantal volwassenen binnen het gezin een rol speelt, maar meer de kwaliteit van de relaties binnen dat gezin (o.a. Buchanan, Maccoby & Dornbusch, 1996).
Ten tweede hebben longitudinale onderzoeken aangetoond dat het bij een ouderlijke scheiding voor wat betreft de gevolgen voor de kinderen meer om het proces van echtscheiding gaat en niet om de resulterende gezinsstructuur (Buchanan, Maccoby& Dornbusch, 1996; Hetherington, Bridges & Insabella, 1998).
Tenslotte zijn veel nadelige gevolgen van de ouderlijke scheiding voor kinderen niet zozeer te wijten aan die scheiding op zich, maar aan ermee gepaard gaande problemen, zoals ouderlijke conflicten (o.a. Amato & Keith, 1991), een verstoorde opvoeding (o.a. Fauber, Forehand, McCombs & Wierson, 1990) , een verslechterde ouderkind relatie (o.a. VanderValk e.a., in druk) en een toename van de stress die in het gezin wordt ervaren (o.a. Hetherington, Bridges & Insabella, 1998).

Teruggrijpend naar de eerder besproken theorieën omtrent echtscheidingsgevolgen voor kinderen kan dan ook geconcludeerd worden dat de meeste ondersteuning wordt gevonden voor uitgangspunten gebaseerd op de gezinssyteem theorie en het cumulatieve stress perspectief.
Deze uitgangspunten leiden ertoe dat hoe langer hoe meer onderzoek de aandacht richt op echtscheiding als (langdurig) proces.
In toekomstig onderzoek zou ook aandacht moeten worden besteed aan de invloed van risicofactoren van voor de scheiding. Mogelijk hangen bepaalde karakterkenmerken en/of bepaalde genetische factoren zowel samen met de kans op scheiding als met probleemgedrag van jongeren.
Bovendien wordt in veel bestaand onderzoek de groep kinderen na ouderlijke scheiding niet nader onderverdeeld.

Het zou aanbeveling verdienen wel een nadere onderverdeling te maken, bijvoorbeeld afhankelijk van de mate van conflict tussen de ouders en het wel of niet aanwezig zijn van een stiefouder.
Het echtscheidingscijfer is in Nederland en een groot aantal andere landen gedurende de laatste decennia flink gestegen. De samenleving is daar nog steeds niet op ingesteld en veel wettelijke maatregelen lopen achter de feitelijke ontwikkeling aan.

Er is bijvoorbeeld in Nederland sinds 1 januari 1998 wel een nieuwe wet van kracht die in principe het gezamenlijk ouderlijk gezag na scheiding laat doorlopen, maar een wettelijke maatregel die dit gezag voorbereidt, is er niet. Dit is wel zo in een aantal andere landen en sommige Amerikaanse staten, waar bijvoorbeeld enkele counselinggesprekken voor de scheiding wettelijk verplicht zijn. Wellicht haalt Nederland binnenkort(een deel van) de achterstand in, want in december 2002 heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen, waarin het maken van een ouderschapsplan, alvorens te mogen scheiden, verplicht wordt gesteld.

Ook kennen veel landen het recht op omgang tussen kind en beide ouders na scheiding, maar een regeling voor de begeleiding van die omgang, indien nodig, ontbreekt veelal (Grych & Fincham, 2001; Sun & Li, 2002).
Kinderen zouden meer moeten worden betrokken bij het bepalen van hun eigen positie in het scheidingsproces. Natuurlijk dient dit zorgvuldig te gebeuren en moet aandacht worden gegeven aan de leeftijd en de ontwikkelingsfase van het kind.


Het verdient aanbeveling wettelijk verplichte hulpverlening mogelijk te maken, als dit in het belang is van het kind.
Maatschappelijke en juridische maatregelen kunnen niet alle problemen rond echtscheiding voorkomen. Maar door echtscheiding meer als een proces te zien, waarvoor diverse maatregelen in verschillende fasen getroffen kunnen worden, is het mogelijk de effecten voor kinderen te verzachten.