plaatje

  :: geschiedenis :: juridische ontwikkelingen

Voor 1 januari 1998 werd bij een echtscheiding het gezag normaal gesproken toegewezen aan één van de ouders. Wanneer men na de scheiding het gezag samen wilde blijven uitoefenen, moest men samen een verzoek in die richting indienen.

Sinds begin '98 is het uitgangspunt dat ouders na een echtscheiding gezamenlijk het gezag blijven uitoefenen.

Een raadsman vatte de inhoud van die wetswijziging ooit kernachtig samen met de uitspraak: "als je ex-man je vermoord, kan hij nog steeds omgangsrecht afdwingen". Dit is geen overdreven voorstelling van zaken.

De wetswijziging, waarop dit citaat is gebaseerd, is een gevolg van een uitspraak van het Europese Hof. In die uitspraak is een zeer verreikende betekenis toegekend aan het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven, zoals dat in in artikel 8 van de Europese Verklaring van de Rechten van de Mens [EVRM] is vastgelegd.

De invloed van de overheid op het gezinsleven moet volgens dat artikel zo beperkt mogelijk zijn. Dat werd in die uitspraak zo uitgelegd, dat de rechten die men voor de scheiding had, ook na de scheiding behouden blijven.

Als de staat een uitspraak doet, moet die zo min mogelijk ingrijpen in het gezinsleven.

In de praktijk betekent dat er sindsdien met de scheiding geen einde komt aan het ouderlijk gezag van beide ouders.

Een scheiding vindt dus sinds '98 tussen beide ouders plaats terwijl er juridisch bezien met betrekking tot de kinderen niets verandert. Deze regeling zou een betere bescherming van de rechten van het kind dienen.

Een omgangsregeling kan sinds die tijd dus door één ouder worden afgedwongen. Daarnaast kan ook een verhuizing naar het buitenland door de ex-partner worden verhinderd via de kantonrechter. Er kunnen zelfs rechtzaken volgen wanneer een ex-partner het niet eens is met de schoolkeuze.

Het vergt niet veel verbeeldingskracht om in te zien dat de uitleg van dit Europese Artikel 8 een geweldige stimulans is geweest om huwelijkse twisten te verplaatsen naar de rechtzaal. Een groot gedeelte van de capaciteit van de rechterlijke macht in Nederland wordt op dit moment ingezet bij echtscheidingszaken.

Dat was ook de volksvertegenwoordiging opgevallen.

Recentelijk is er in de Tweede Kamer een debat gevoerd over het wetsvoorstel ‘Voortgezet Ouderschap’ van Hirsch Ballin van Justitie en Rouvoet van Jeugd en Gezin, dat o.a. tot doel heeft iets aan deze toestand te verhelpen.

Volgens deze wet dienen de ouders bij een scheiding of bij het beëindigen van een geregistreerd partnerschap in een ouderschapsplan afspraken te maken over hoe het verder moet met de kinderen.

De idee erachter is dat de ellende niet langer in de rechtzaal wordt uitgevochten.

In dit zelfde wetvoorstel is de flitsscheiding - het ontbinden van een huwelijk zonder tussenkomst van de rechter - afgeschaft. De procedure wordt in het buitenland niet erkend en ook zouden bij een flitsscheiding kinderen vaak de dupe worden.

Tijdens de behandeling van deze voorstellen diende Jan de Wit van de SP een amendement in, waarin hij pleitte om de term 'voortgezet ouderschap' te vervangen door 'gelijkwaardig ouderschap'.

Deze expliciete vermelding van de term gelijkwaardig ouderschap in de wet geeft de rechterlijke macht duidelijke aan hoe te beslissen wannneer de ouders er onderling niet uitkomen.

In de praktijk zou dat betekenen dat met name de mannelijke ex-partner bij de scheiding de rechten over de kinderen met meer succes kan opeisen en langs legale weg zijn invloed op het gezin kan voortzetten.

Daarbij komt nog dat deze regeling bovendien geldt voor andere stellen met kinderen: de regeling geldt al bij 'het beëindigen van een periode van samenleven'.

Aangezien het in Nederland zo is dat de kinderen doorgaans bij de moeder blijven, kunnen deze moeders in de gevallen waarbij er niets onderling geregeld kan worden, een eindeloze reeks gerechtelijke procedures tegemoet zien.

Door het opnemen van de term gelijkwaardig ouderschap zal de rechter eerder tegemoet komen aan de eisen van de vader.

Het wordt daarmee voor moeders, die menen dat het niet in het belang van hun kinderen is om hun vader nog te zien, een nog grotere lijdensweg met nog moeilijker confrontaties om de rechter daarvan te overtuigen.