plaatje

  :: nieuws


Handboek scheiden en de kinderen - hoe het niet moet maar we het toch doen.

07-10-2010 :: Wanneer Ed Spruijt van de Universiteit Utrecht een onderzoek publiceert, dan zit iedereen meteen met gespitste oortjes. Trouw wijdde recent bijna de helft van de krant aan zijn nieuwe onderzoek, dat hij samen met Helga Kormos publiceerde. De doelgroep van dit nieuwe 'Handboek scheiden en de kinderen' is vooral wat vroeger de "Zachte Sector" en tegenwoordig "Hulpverlening" heet. Spruijt is ook voor bezorgde moeders van belang door zijn directe betrokkenheid bij de Raad voor de Kinderbescherming. Zijn indruk van de situatie in scheidingsland is daarom mede van invloed op het dagelijks welbevinden van onze kinderen - en dus van ons.

Allereerst dienen we te stellen dat Ed Spruijt gehaat wordt door de pappa-lobby. Dat op zich lijkt ons al een aanbeveling. De goede verstaander begrijpt dan ook meteen dat zijn onderzoeksresultaten niet doordringen in Den Haag, want daar is de pappa-lobby oppermachtig.
De nieuwe wetgeving, waar wij ons erg tegen hebben verzet, is volgens Spruijt tot stand gekomen zonder evaluatie van de wetswijzigingen die in 1998 zijn doorgevoerd en waardoor ouderschap niet meer eindigde bij de scheiding. Uit zijn vorige onderzoek was al gebleken dat kinderen meer omgang met de uitwonende ex-partner hadden, maar dat de wetgeving die daar de oorzaak van is ook de problemen van scheidingskinderen heeft vergroot.
Wij wisten het al, de specialisten van de politieke partijen wisten het al, Spruijt zei het en Jeppersen-De Boer stelde zelfs zelfs op basis van haar onderzoek ijskoud dat die wetgeving gewoon moest worden teruggedraaid. Wanneer die onderzoeken serieus waren genomen in de politieke besluitvorming, dan hadden we nu niet met deze nog aangescherpte wetgeving gezeten.

Wij vragen ons al een tijdje af hoe dat allemaal zo gekomen is. Als je dat wilt weten, dan moet je kijken naar de onderzoeken waar de vaderlobby zich op baseert. Kinderen uit gezinnen waarin tot een scheiding is besloten, presteren minder in een aantal opzichten: op school, in de omgang met andere mensen en ze lopen een grotere kans depressief te worden of zelf ook te scheiden, later.

De vaderlobby heeft dit - steeds bevestigde - onderzoeksresultaat in haar narcistische zelfverheerlijking zo uitgelegd, dat "ontvaderde kinderen" voor galg en rad opgroeien. Immers: wat verandert er bij een scheiding anders dan dat de vader zijn kinderen niet meer mag zien? De vaderlobby formuleerde dat als "het kind moet omgang met beide ouders hebben" - en maakte daarmee ook haar eis niet alleen een kindereis, maar ook sexeneutraal. Niemand kon daar tegen zijn.

Die invalshoek is aldoende vastgelegd in een aantal internationale verdragen. Het heet daarin dan ook inderdaad dat "het kind recht op omgang met beide ouders heeft". Of zoals onze nog even demissionaire minister van Jeugd en Gezin in de Eerste Kamer steeds zei: omgang met de uitwonende ex-partner is in het belang van het kind. Omgang moet, dus.

Nadien zijn een aantal andere onderzoeken gepubliceerd die nader zijn ingegaan op de factoren die leiden tot het minder presteren van scheidingskinderen. Opmerkelijk genoeg blijkt ook weer in dit onderzoek de rol van de vader of de frequentie waarin die bezocht wordt, niet van invloed is op het welbevinden van die kinderen. Er zijn andere achterliggende oorzaken die het pappaprimaat van de vaderlobby volledig onder uit halen.
Deze achterliggende feiten - de mate van conflict voor en na de scheiding en in mindere mate de bijkomende veranderingen - zijn tot op heden nooit reden geweest om het beleid of de wetgeving aan te passen.
De problemen die een scheiding voor kinderen oplevert - slaapproblemen, teruggetrokken of juist heel druk gedrag, buikpijn en misselijkheid, bedplassen en duimzuigen - worden in de folders van Jeugd en Gezin benoemd als 'loyaliteitsproblemen' of 'verlatingsangst'.
In de politieke praktijk blijft omgang met pappa daarvoor de pleister.

Waar wij tegen strijden zijn de politieke conclusies die getrokken zijn op basis van achterhaald onderzoek. We kunnen het Ed Spruijt niet kwalijk nemen dat hij dat niet met ons doet in dit boek. Zijn doelgroep bestaat immers uit mensen die met de gevolgen van dit beleid moeten werken. Het is een handboek - en daarmee geeft het al aan dat het om de praktijk van het handhaven van de wetgeving gaat.
Desondanks kunnen we in dit boek wel een aantal elementen vissen die ons munitie leveren om op dat beleid te schieten.

Het onderzoek vond plaatst tussen 2006 en 2009 en er werden 4411 kinderen tussen de 9 en 16 jaar van 70 verschillende scholen uit het hele land ondervraagd, behalve uit Rotterdam en Amsterdam. De respons was 95 procent; iets waar ze bij E-quality naar verluid alleen maar van kunnen dromen.
Er scheiden op jaarbasis 35000 paren en daar zijn 39000 kinderen bij betrokken. Daarnaast gaan er 60000 samenwonenden - met 18000 kinderen - uit elkander. Hoger opgeleiden scheiden minder vaak dan laagopgeleiden. Op het VWO heeft 10% van de kinderen gescheiden ouders, op het VMBO ruim een kwart. In totaal komen er elk jaar 70000 scheidingskinderen bij. Op een termijn van 20 jaar krijgt 1/3 van alle kinderen met een scheiding van hun ouders te maken. Kinderen zijn tegenwoordig geen beletsel meer om te scheiden, terwijl dat vroeger wel zo was. Wel is het zo dat als er veel kinderen in een gezin zijn er minder wordt gescheiden, maar dat kan ook een invloed van religie zijn.

Het ouderlijk gezag blijft momenteel in 90% van de gevallen gehandhaafd. Opvallend is ook dat 20% in een co-ouderschapsituatie zit, dat wil zeggen evenredig heen en weer pendelt tussen pa en ma. Dat zijn vooral de jongere kinderen - co-ouderschap is ook een recent fenomeen, natuurlijk. 74% woont bij de moeder en 6% bij de vader.

In 1998 had ruim een kwart van de kinderen geen contact meer met de uitwonende ouder. Dat was in de tijd dat beide ouders het eens moesten zijn over een omgangsregeling. In 2000 kwam er voor Nederland een cijfer van 24% uit en iets dergelijks was ook in de VS het geval.
Tegenwoordig is het nog maar 15% waarin er helemaal geen contact is. Spruijt noemt dit een verbetering, maar geeft niet aan waarom. Hij stelt immers elders dat de problemen groter zijn geworden met het toenemen van het aantal omgangsregelingen.

Opvallend is dat kinderen in moedergezinnen de uitwonende ouder relatief iets vaker zien dan in vadergezinnen. Kinderen tussen de 9 en 12 hebben meer contact dan kinderen die ouder zijn. Dat zou - volgens ons - weleens kunnen komen door de veranderde wetgeving: die oudere kinderen zijn dus van voor 1998. Spruijt geeft als verklaring dat oudere kinderen ook minder contact met de inwonende ouder hebben omdat ze zich meer op leeftijdsgenoten richten.
Allochtone scheidingskinderen zien in 25% van de gevallen hun vader niet meer. Spruijt geeft geen verklaring voor dit toch behoorlijk afwijkende cijfer.

Een kwart van de moeders vinden dat de vader zich te weinig voor de kinderen interesseert, terwijl 38% van de vaders ontevreden is met de omgangsregeling. Het blijkt dat als de omgang slecht is, die ook slecht blijft; er treedt dus in de loop van de tijd geen verbetering op. Voor bezorgde moeders is dat een hoopvolle mededeling. Je vraagt je wel af wat de overwegingen bij de overheid zijn om aan een dergelijk dood paard te blijven trekken, dan.

De kinderen die het meeste last hebben van een scheiding zijn kinderen die getuige zijn van "hevige en chronische ouderlijke conflicten". "Kinderen die na een conflictueuze scheiding in rustiger vaarwater terechtkomen, gaan er soms duidelijk op vooruit", zo stelt Spruijt. Andere risico's liggen in een niet goed functionerende inwonende ouder, het niet nakomen van afspraken door de ex-partners en financiële achteruitgang. In 2004 is er in Nederland onderzoek gedaan naar de posities van gescheiden gezinnen: moedergezinnen gaan er gemiddeld 21% op achteruit terwijl de vader er doorgaans op vooruit gaat.

Dat is allemaal geen nieuws, maar het kan desondanks geen kwaad om het te blijven benadrukken.

Nog meer open deuren: kinderen vinden het niet leuk als er conflicten in het gezin zijn, een 'goede' scheiding heeft ook negatieve gevolgen, maar niet zo veel als een 'slechte' scheiding en kinderen zijn het best af met een intact gezin met een goed ouderlijk huwelijk. Scheidingen van alle soorten hebben even negatieve gevolgen voor schoolprestaties en latere scheidingspercentages en veel ruzies in intacte gezinnen zijn slechter voor het kind dan ruzies in gescheiden gezinnen omdat ze er dan niet meer midden in zitten de hele tijd.
Overigens krijgen ook heel jonge kinderen de conflicten 'mee' - de opvatting dat het allemaal volledig aan ze voorbijgaat zou inmiddels ontkracht zijn want "babyhersenen zijn heel ontvankelijk voor emotionele communicatie met hun omgeving", zo heet het.

Op pagina 64 begrijpen we de ontzetting van de vaderlobby over dit handboek. "Onderzoekers gingen er tot ver in de jaren '80 van uit dat contact tussen kinderen en uitwonende ouder per definitie goed is.(...) Als er relatief weinig ouderlijk conflict is dan werkt contact positief. Is er daarentegen veel conflict, dan werkt contact negatief". In de VS werd in 1991 en in 1994 door verschillende onderzoekers vastgesteld dat er geen enkel verband bestaat tussen contactfrequentie en welbevinden van het kind. In 1999 bleek dat dat verband ook afhangt van de tevredenheid van de moeder over de regeling.
In 2010 is gebleken dat het contact dat kinderen voor de scheiding met hun vader hebben - en hun welbevinden - bepalend is voor het contact na de scheiding. Contactfrequentie maakt niets uit.
Ook is inmiddels duidelijk dat hoe jonger het kind is tijdens de scheiding, hoe slechter de relatie met de vader is. Daarbij wordt ook aangetekend dat de band met de moeder minder zou worden.

De praktijkaanwijzingen die Spruijt aan zijn doelgroep aanbiedt zijn dan ook per leeftijd verschillend. Wie, zoals schrijfster dezes, te maken kreeg met scheiding direct na de zwangerschap, zal zich nog wel even twee keer achter de oren krabben als zij leest "De oude standaardregeling van een weekend per veertien dagen is voor kinderen tussen 0 en 2 jaar niet geschikt. Frequent kort contact, bijvoorbeeld een paar keer per week een paar uur is beter." Welke moeder zit in GODSNAAM te wachten om haar babietje zo vaak naar een vader te brengen die haar net op de meest vreselijke manier in de kou heeft laten staan?
Ik kreeg zelf zo'n oude omgangsregeling opgelegd waarbij ik mijn kind een heel weekend naar iemand moest sturen die niets wist [of wilde weten - hij ging toch weg] van kinderverzorging. Dit scenario is misschien al iets realistischer, maar getuigt nog steeds niet van enig begrip waar het de situatie van moeders en hun zuigelingen betreft.
In sommige zaken betoont Spruijt zich een onthutsend niet inlevende archetypische pappa in dit handboek. "Als de baby huilt wanneer vader hem meeneemt, dan heeft dat soms meer te maken met angst voor de scheiding van de moeder dan met weerstand tegen de vader", zo heet het. Hoe zich dat precies verhoudt tot de "ontvankelijke babyhersenen" van hierboven wordt niet helemaal duidelijk.

Wie zich afvraagt of het woord huiselijk geweld in het hele verhaal voorkomt: jazeker. In het hoofdstuk "ernstige problemen na scheiding" wordt gesteld dat beschuldigingen van geweld in scheidingssituaties vaak niet serieus worden genomen, maar gezien als een poging om de ex-partner zwart te maken. Uit binnen- en buitenlandse onderzoeken blijkt dat er zelden opzettelijke valse meldingen worden gedaan. Uit de cijfers blijkt dat er in scheidingssituaties een grotere kans is op geweld tegen volwassenen en kinderen.

Voorts wordt ook gesteld dat bij de AMK's en Jeugdzorg geen eenduidig beleid en onvoldoende hulp voorhanden zijn voor deze problematiek. De "Kenniskring Kindermishandeling" is met dat gegeven aan de gang gegaan. "Gebleken is dat dat medewerkers van AMK's en de afdeling Toegang van Bureau Jeugdzorg het lastig vinden om met dit soort mededelingen van ex-partners om te gaan." De vraag dient zich op dat als zij er al niet mee kunnen omgaan, hoe ze dan hun klantjes kunnen helpen om er mee om te gaan.
Wellicht wordt er hier door de Kenniskring tussen de regels gepleit voor enig invoelingsvermogen van de kant van de gedupeerde ouders en hun mishandelde kinderen voor de problemen van de gemiddelde jeugdzorger.

Ook is ze opgevallen dat veel ex-partners die met deze beschuldigingen komen "vaak niet gezamenlijk een gesprek met de medewerker willen voeren terwijl dit wel noodzakelijk is om de informatie open en objectief te beoordelen". Goh hoe zou dat nou komen jongens. Op deze manier dwingen we natuurlijk deze goedwillende hulpverleners om de informatie niet open en objectief te beoordelen. En zo begrijpen we weer hoe het komt dat we met enige regelmaat de grootste kolder kunnen teruglezen in de rapporten die Jeugdzorg en de Raad over ons en onze kinderen de wereld in slingeren.
Deze rapporten getuigen van een hermetisch gesloten en subjectieve visie, maar dat ligt kennelijk niet aan de hulpverlener, maar aan het feit dat wij niet met onze beul in 1 ruimte willen zitten als dat niet noodzakelijk is.
In de tussentijd blijft men overtuigd van de behoefte aan gespecialiseerde hulp bij complexe scheidingsproblemen, maar constateert meteen ook dat die ontbreekt en lastig te realiseren is.

We raken hier aan de kern van de problemen waar wij mee zitten. Het beleid is dat omgang moet. Aan de basis daarvan ligt het idee dat omgang altijd goed is voor kinderen. Alles dat in de weg staat van omgang dient dus in het belang van het kind te worden gladgestreken. Waar dat niet van zelf gaat, moet dat gebeuren door hulpverlening die conflictverminderend zou moeten werken. In de praktijk - onze praktijk - is dit soort hulpverlening juist onderdeel van het probleem. Onze kinderen en wij willen rust; in dit geval door een vervelende ex buiten de deur te houden. En de hulpverlening komt vervolgens helpen door met alle mogelijke middelen te pogen die ex weer binnen te brengen.

Op de eerste plaats is er geen betere hulp denkbaar dan geen hulp in dit geval. En op de tweede plaats zit die hulpverlening in een raar pakket omdat deze problemen doorgaans niet op te lossen zijn omdat ze uitgaan van een beleid dat is gebaseerd op foute vooronderstellingen.
Misschien dat enig mededogen met die hulpverleners toch wel op z'n plek is, want het is met deze uitgangspositie natuurlijk een hondenbaan. In elk geval begrijpen we nu wel waarom we elke twee maanden iemand anders over de vloer krijgen om onze problemen met onze ex voor ons en onze kinderen "op te lossen".

Huiselijk geweld en kindermishandeling wordt weinig onderzocht bij sociaalwetenschappelijk bevolkingsonderzoek, schrijft Spruijt. In Australië is onderzoek gedaan naar uitspraken in zaken waarbij de ex-partner beschuldigd werd van kindermishandeling. In 9% van de gevallen bleek die beschuldiging niet hard gemaakt te kunnen worden. Dat cijfer is in veel andere onderzoeken bevestigd en hulpverleners moeten daarom volgens dit handboek deze beschuldigingen serieus nemen.
En er vervolgens alles aan doen om omgang toch mogelijk te maken, bijvoorbeeld via counseling en mediation, zoals in Amerika wordt aanbevolen.

Overigens zijn er een aantal criteria te verzinnen waarop deze beschuldigingen beoordeeld kunnen worden: objectieve verificatie door aangiften en medische dossiers, bevestiging door "betrouwbare derden", psychologisch profiel en gewelddadig verleden van de dader en tot slot dient ook de "psychische toestand" van het vermeende slachtoffer in de analyse worden betrokken. Met name dat laatste is voor velerlei uitleg vatbaar.

Voor wat betreft het oneigenlijk gebruik van het verdrag rond internationale kinderontvoering is er een lichtpuntje. Het verdrag is bedacht om kinderen die door de pa naar het buitenland worden ontvoerd weer terug te krijgen, maar blijkt ook veel te worden gebruikt door recalcitrante vaders om hun met de kinderen naar haar geboorteland teruggevluchtte ex-en dwars te zitten. Er ligt een wetsvoorstel dat een einde moet maken aan deze praktijken en dat is erg goed nieuws voor Els en haar medewerkers van www.kinderontvoering.org die ons vanaf het begin hebben gesteund.

Er is in het handboek een aparte paragraaf gewijd aan de bijeenkomst van het Verwey-Jonkerinstituut over huiselijk geweld en familierecht. De uitkomsten liegen er niet om [we gingen er elders op deze site al op in] en ze worden in het handboek nog eens netjes op een rijtje gezet. Hun conclusie was dezelfde als die van ons; namelijk dat er te weinig onderzoek is gedaan naar partnergeweld en kindermishandeling bij scheidingszaken. Er is geen duidelijk taxatieinstrument om de risico's in te schatten als men een omgangsregeling vaststelt. Daarnaast zijn er te weinig mogelijkheden om eenhoofdig gezag toe te wijzen omdat dat door de Hoge Raad ongeveer is verboden en is er bovendien een groot tekort aan begeleide omgang.

Ook hier werd vastgesteld dat gezamenlijk ouderschap niet altijd in het belang van het kind is, dat de uitwonende ouder soms de omgang misbruikt om macht te blijven uitoefenen en dat slachtoffers van geweld niet tot contact met de geweldpleger moeten worden gedwongen. Desondanks blijven de juristen en rechters die bij die bijeenkomst waren door hun politieke bazen wel gedwongen om dat in ieder geval te proberen.

Ongeveer 10% van de scheidingen zou met ernstige conflicten gepaard gaan. Scheiding vormt een extra risico voor het optreden van kindermishandeling, en "indien dit aan de orde is, verdient het aanbeveling de norm 'gezamenlijk gezag' soepeler toe te passen", schrijft Spruijt aan zijn achterban.
Wat, wanneer en hoe laat hij noodgedwongen geheel over aan de fantasie van de lezer.

In Amerika hebben ze veel meer onderzoek gedaan dan hier. Zo bleek daar dat eenvoudiger scheidingsprocedures grotere problemen opleveren voor kinderen. In het Handboek stellen de onderzoekers de vraag in hoeverre de Nederlandse wet goed is voor scheidingskinderen. Het hoofdstuk verdient een aparte behandeling, en we komen daar zeker nog op terug. Even kort door de bocht stelt het Handboek vast dat kinderen en moeders zich significant minder goed voelen sinds het permanente gezamenlijke gezag in 1998 werd vastgelegd in wetten. Na '98 is het aantal conflicten toegenomen en op een hoog peil gebleven. Gezamenlijk gezag blijkt in de praktijk "nieuw, ingewikkeld en moeilijk te hanteren". De wetswijziging van '98 blijken ook in ander onderzoek geen verbetering tot gevolg gehad in de kwaliteit van de ouder-kindrelatie - ondanks het feit dat het gemiddeld aantal bij de uitwonende ouder doorgebrachte nachten steeg van 1,2 naar 2 nachten per week.

Op het ogenblik doet de Raad jaarlijks over zo'n 5000 kinderen uitspraken in scheidingszaken. Opmerkelijk is het feit dat moeders redelijk tevreden waren over die uitspraken. Minder opmerkelijk is dat de vaders dat minder vaak waren. In de helft van de gevallen hebben kinderen van 12 jaar of ouder van het recht gebruik gemaakt om met de rechter te spreken; dat gesprek kreeg van die kinderen een gemiddelde van 6,2. Dat cijfer is verder niet uitgewerkt; in hoeverre de mening van het kind in de uitspraak is verwerkt blijft dus onduidelijk.

Uit een analyse van de uitspraken van de Raad blijkt dat er geen omgang komt als er sprake is van "ernstige conflicten" ofwel een gebrekkige binding tussen kind en uitwonende ouder. Vaders maken minder kans op een omgangsregeling naarmate ze verder weg wonen, er fysiek slechter aan toe zijn of minder autochtoon zijn. Soms spelen ook factoren als misbruik, oudervervreemding en agressief gedrag een rol. Een omgangsregeling wordt tussen de 36% en 60% van de dossiers afgewezen. Waar er ruzie is over de verblijfplaats, blijkt het in 50% van de gevallen om allochtone kinderen te gaan.
In 20% van alle gevallen wordt besloten de verblijfplaats naar de andere ouder te verplaatsen.

Als er veel niet op te lossen conflicten zijn is het beter om het kind "korter of langer" geen contact te laten hebben met de uitwonende ouder. "Dat kan de broodnodige rust geven", zo staat er.
Dat "korter of langer" is er volgens ons in de redactiefase ingezet.

Leuk feit is dan weer dat in de helft van de gezinnen een stiefouder [85% is stiefvader; 15% stiefmoeder] opduikt. Die wordt doorgaans veel belangrijker dan de uitwonende ouder. Spruijt haalt een onderzoek aan van mevrouw Draaisma, die stelt dat een stiefouder die langdurig in een gezin verblijft ook juridisch gezag over een kind zou moeten hebben. Niet de bloed- en aanverwantschapband moet gelden, maar de verantwoordelijkheid voor elkaar. Naar tijd en ruimte.
Ook dat lijkt ons zinnig, maar dit standpunt over biologisch vs. residentieel ouderschap zal waarschijnlijk niet met veel hoera-gejuich in het kamp der pappalobbyisten ontvangen zijn.

In de conclusie van het hoofdstuk staat "ook de nieuwe wet van 2009 (met het verplichte ouderschapsplan) zal niet zonder meer voordelig zijn voor kinderen." Scheidende ouders moeten daarom worden voorgelicht en begeleid. "De Centra voor Jeugd en Gezin kunnen hierbij een positieve rol vervullen", zo staat er.

Het enige dat bezorgde moeders kunnen doen is hopen dat die Centra in de komende kabinetsperiode tot de linkse hobbies worden gerekend, want wij weten als geen ander dat rust van inmenging het allerbeste is voor de situatie waar wij in verkeren. In dit Handboek wordt dat erkend en onderschreven door onderzoek. Desondanks hinkt het geheel op twee gedachten: wat we doen deugt niet, maar we doen het toch. Het spijt ons dat we dat moeten zeggen, maar daar kan niets goeds van komen.

Nu er een vieze bruine wind door Nederland waait, die ons van allerlei internationale verdragen gaat verlossen, kunnen wij in ieder geval nog wel een kandidaatje verzinnen.

Dit handboek representeert de schizofrene en surrealistische situatie waarin het Nederlandse familierecht verkeert. Terwijl bekend was dat het de problemen verergert - of in ieder geval niet oplost - is er toch gekozen voor een verscherping rond het voortgezet ouderschap. De vraag is wie de uitkomsten van dit - en andere gelijksoortige - onderzoeken op een efficiënte en doordringende manier aan de politiek voorlegt.
De criteria die rust in achterblijvende gezinnen kunnen scheppen zijn van levensbelang voor onze kinderen, maar wanneer krijgen we die?

Met dit handboek weet de professional in de keten nog steeds niet waar hij of zij in de moeilijke gevallen aan toe is. In die zin zijn zijn of haar problemen met deze wetgeving en de internationale verdragen die erin geïnterpreteerd worden dezelfde als die van de gemiddelde bezorgde moeder.

<< terug naar overzicht