plaatje

  :: nieuws


Ombudsvrouwen schrijven rapport over OTS bij omgang

28-12-2012 :: Begin november was het rapport "De Ondertoezichtstelling bij Omgangsproblemen" nieuws; pas bij de oliebollen was er tijd om er eens goed naar te kijken. Het rapport van Nationale ombudsman Brenninkmeijer en Kinderombudsman Dullaert over ondertoezichtstellingen bij omgangsregelingen blijkt geschreven door 7 mevrouwen. De heren mochten samen de inleidende pagina's vullen en ondertekenen.
Is er nieuws onder de zon?

Dat er problemen zijn met omgangsregelingen is bekend. Dat De Keten allerlei aanleidingen kan vinden voor een OTS ook. Dat daar klachten over binnenkomen bij de Ombudsman is dan ook geen gegeven waar je als ervaringsdeskundige van achterover slaat. Laten we om te beginnen eens kijken wat precies de klachten zijn.

De summiere gegevens daarover vinden we achterin het rapport: de Kinderombudsman is vanaf de start in april 2011 84 keer benaderd door lieden die met problemen rond een omgangsregeling zaten. Een "groot deel hiervan" was ouder en meldde dat de voormalige wederhelft zich niet aan de omgangsregeling hield.
Het ligt niet in de lijn der verwachting dat dat doorgaans moeders waren, die klaagden dat hun ex-man geen tijd wilde vrijmaken voor de kinderen. Boze pappa's lijken dus massaal de kinderombudsman te hebben gevonden om hun grieven te uiten. We schreven al eerder over de grote verwarring rond kinder- en vaderrechten en op basis van de summiere informatie die we krijgen van de auteurs, lijkt men aan de pappakant deze spraakverwarring ook bij de kinderombudsman maximaal te benutten. Ook dat komt niet als een verrassing.

Er hebben ook kinderen gereageerd omdat ze niet gehoord werden door de rechter wegens jonger dan 12 of omdat ze het niet eens waren met een omgangsregeling. Er wordt in het rapport niet verteld wat hun aandeel was in het totaal aantal klachten en we krijgen een drietal kinderklachten te horen die allemaal betrekking hebben op een omgang waar ze tegen hun zin toe gedwongen worden.

Daarnaast waren er 283 meldingen van voornamelijk ouders en grootouders die te maken hadden met het optreden van de Bureaus Jeugdzorg. Deze zaken worden door de Kinderombudsman doorverwezen naar de Grote Mensen Ombudsman. Alleen als er kinderrechten in het geding zijn [maar zijn die niet altijd in het geding als de Raad klaar is en Jeugdzorg om de hoek komt kijken?] kunnen de Kinderombudsman en de Gote Mensen Ombudsman samen werken aan een onderzoek, zo heet het in bijlage 3 van het rapport.

Het uitgangspunt van het rapport is de relatie tussen de potentiële klagers en Jeugdzorg te verbeteren. Je kunt in een dergelijk rapport niet verwachten dat Het Waarom van de praktijken van Jeugdzorg onder het vergrootglas komt te liggen. Uitgangspunt is ook de status quo zoals die in de wet is vastgelegd.
In de praktijk ziet het plaatje er aldus uit: als ouders niet tot een omgangsregeling kunnen komen, kan de rechter de Raad advies laten geven. In eerste instantie over de omgang, maar de Raad kan ook een beschermingsonderzoek openen als er vermoeden is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind.
In de definitie van de Raad bestaat die bedreiging al bij ruzie over de omgang en in dat geval kan de Raad de rechter vragen het kind onder toezicht te stellen. Als de rechter tot zo'n OTS besluit, dan komt er een gezinsvoogd van Bureau Jeugdzorg en die gaat de ontwikkelingsdreiging afwenden; dat wil zeggen dat hij gaat voorkomen "dat het kind vermalen wordt in het conflict tussen de ouders". Dat betekent in gewoon Nederlands dat die gezinsvoogd ervoor moet zorgen dat de opgelegde omgangsregeling wordt uitgevoerd.

De overheid werkt vanuit het zgn. schadebeginsel, pas ingrijpen als er schade dreigt te ontstaan. De gezinsvoogd komt dus ook pas kijken als de verhoudingen dusdanig verzuurd zijn, dat de rechter niet denkt dat er een omgangsregeling op eigen kracht in zit. De situatie is tegen die tijd al "ernstig geëscaleerd", hetgeen de kans op een goede afloop "sterk verkleint", zo staat in het rapport te lezen. Dat sluit aan wat ook uit eerdere studies bekend is - nl. dat de problemen domweg wel eens onoverkomelijk kunnen zijn. "De hoge mate van escalatie verkleint de kans op een goede afloop sterk", zo heet het hier.
In de keten [raad, rechter, jeugdzorg] wordt de OTS bij omgangsproblemen als "bijzonder gecompliceerd ervaren". "Een ondertoezichtstelling leidt niet vanzelf tot voor het kind wenselijke omgang", schrijft men.
Het zal geen verwondering wekken dat de auteurs er niet voor kiezen "niet aan een dood paard te trekken" zoals we dat eerder omschreven, maar om eerder aan het paard te gaan trekken. Impliciet wordt hier bedoeld dat een OTS eerder moet worden ingezet: "De negatieve spiraal tussen ouders moet in een veel eerder stadium worden onderbroken".

Dat is opmerkelijk, want in het rapport wordt expliciet aangegeven, dat er geen enkele instantie in dit land tot op heden het idee heeft opgevat, om te kijken wat een OTS bij omgangsproblemen nu eigenlijk oplevert. De auteuses rapporteren dat de betrokken instanties de effecten van ondertoezichtstellingen in het geheel niet bijhouden. Terecht wordt opgemerkt dat "een OTS een zeer ingrijpende maatregel is waarvan de effectiviteit wel gemonitord zou moeten worden".

Kortom: We weten niet wat de effecten van een OTS zijn, er zijn veel klachten over en dat lossen we op door de maatregel eerder in te zetten.

Het voelt niet netjes om dit soort rapporten, die eigenlijk alleen bedoeld zijn om mensen het idee te geven dat er over hun problemen wordt nagedacht, op deze manier te lezen. Het zijn pleisters voor de klagende zielen die de weg naar de ombudsman hebben weten te vinden. Men belooft in zeker zin - op basis van de binnengekomen klachten en binnen de mogelijkheden van de keten - beterschap.
De mogelijkheden van de keten zijn - zoals iedereen weet, maar niemand wil weten -, beperkt. Er ligt een wetgeving aan ten grondslag die gebaseerd is op foutieve uitgangspunten. We publiceerden daar regelmatig over.

De dames Van der Velden, Tegelaar, Wery, Van Zanten, Vegter, Van den Hoven en Broeshart hebben in dit rapport "De ondertoezichtstelling bij omgangsproblemen" dan ook vooral de problemen van de keten als uitgangspunt genomen, en naar onze smaak minder het belang van het kind. Je zou denken dat dat laatste het belangrijkst zou zijn, gezien de betrokkenheid van de Kinderombudsman, maar we zijn niet overtuigd dat dat besef goed is doorgedrongen bij de opstelsters.
De wet is geschreven op de situaties waar Ed Spruijt gelukkig van wordt. In afwijkende situaties, waarin er gerede bezwaren tegen omgang worden aangevoerd, verliest de wet zich in vaagheden. Juist de uitzonderingen behoeven gedetailleerde wetgeving, maar die is nooit gerealiseerd. De invulling van die vaagheden vindt plaats bij verschillende instanties in de keten, en binnen die instanties ook nog op verschillende manieren door steeds wisselende personen, zo constateren de opstelsters van het rapport.

Alle plooien in de ideale gang van zaken moeten door de gezinsvooggd worden gladgestreken - je kunt je makkelijk verliezen in medelijden voor de zware taak die gezinsvoogden hebben. Het begint er immers al mee, dat als er door een van de ouders om wat voor reden dan ook gekozen wordt voor een radicale breuk, de uitgangssituatie van iedere externe betrokkene die iets anders wil, alleen maar conflictverhogend werkt. Het is om moedeloos van te worden, soms. "Je kunt van de ouders in hun onderlinge communicatie geen gedrag verwachten dat ook al tijdens hun huwelijk niet mogelijk is gebleken, of mischien wel aanleiding tot de scheiding was", zo citeert men de Bureaus Jeugdzorg.


De argumenten om in deze gevallen toch in te grijpen zijn uitputtend behandeld en ontleed op deze website als onderdelen van de vaderlobby-ideologie. Waar Jeugdzorg is, daar zijn loyaliteitsconflicten, langetermijneffecten en PAS nooit ver weg. Het draait immers om "de wensen die in het hart van het kind leven", en daar weten de rechter, de gezinsvoogd, en ook de opstelsters van dit rapport meer van dan de kinderen (of hun ouders) zelf - in ieder geval als die kinderen jonger dan 12 zijn, maar bij voorkeur ook daarna.

In de aard der zaak komen bij de Kinderombudsman ook kinderklachten binnen. De opstelsters van het rapport vermelden er drie. In hoeverre ze illustratief zijn voor andere kindermeldingen (waren er meer?) is niet bekend, maar gezien het feit dat ze werden meegenomen in de publicatie geven ze allicht een representatieve indruk.
Het zijn drie voorbeelden van kinderen die geen zin hebben om naar een uitwonende ouder te gaan, maar toch moeten. Bijvoorbeeld wanneer de gezinsvoogd "niet gelooft dat ik niet naar pappa wil. Ze denkt dat mijn moeder dit zegt en wil". Kinderen geven ook aan dat ze onrustig worden van de instanties die zich met de omgangsregeling bemoeien. "Waarom kunnen ze niet gewoon accepteren dat ik er niet heen wil?", zo heet het.
De algemene en terechte kinderklacht is, dat de mening van kinderen niet serieus wordt genomen, zo stellen de auteurs.

Dat wordt pijnlijk wanneer we deze praktische constatering afzetten tegen de invloed van de ideologische elementen die expliciet in dit rapport worden verwoord. Zo wordt op pagina 12 vastgesteld, dat als meisje M. van 8 zegt "ik wil mijn vader nooit meer zien", deze uitspraak volgens de rapporteuzes het volgende kan betekenen:

  1. Ik houd zoveel van hem maar verdraag het niet dat ik iedere keer na het weekend weer weg moet
  2. Hij is zo verdrietig over de scheiding, het maakt me zo machteloos dat ik hem niet kan troosten, na een bezoek moet ik dagenlang aan hem denken
  3. Mijn moeder vindt hem zo'n slechte vader dat ik niet weet of het bij hem wel veilig is
  4. Als ik bij hem ben heeft mijn moeder verdriet en ze doet boos als ik terugkom
  5. Ik verveel me bij hem omdat ik mijn vriendinnen mis
  6. Hij vraagt mij van alles over mijn moeder maar ik mag niks vertellen
  7. Ik ben zo boos over wat hij gedaan heeft dat ik nog bang ben dat we ruzie krijgen en dat hij mij nooit meer wil zien
  8. Ik kan maar niet wennen aan dat andere huis


Ons inziens ontbreekt hier nog een tamelijk voor de hand liggende optie - namelijk dat ze haar vader niet meer wil zien. We horen in dit kille rijtje de holle galm van de gezinsvoogd waarover een van de kinderen van de vorige alinea blijkt te hebben geklaagd bij de Kinderombudsman en wier theoretische insteek door de auteurs gewoon wordt gelegitimeerd.

Aan de ene kant pleit men in het rapport voor een grotere rol voor de bijzonder curator, die vaker ingezet zou moeten worden om de stem van de kinderen te laten horen - een paar bladzijden verder wordt juist die kinderstem weer gesmoord met het ideologische kussen dat 20 jaar pappa-activisme heeft ingekaderd in de betweterigheid onzer nationale jeugdhulpverlening.

Nogmaals: het is niet eerlijk om een dergelijk rapport zo hard aan te vallen op de interne inconsistenties en denkfouten. Er zijn acht mensen betrokken bij het opstellen van dit compromis en daarvan moeten er twee de publicteit mee halen. Alle acht zullen ze er iets over te zeggen hebben gehad. Alle acht zitten ze - net als wij - gevangen binnen de paradoxen van de wetgeving rond het familierecht. Als we ons met de halverteerde oliebollen een zachtzure oprisping van de kerstgedachte zouden kunnen veroorloven, dan moeten we misschien wel stellen dat men gewoon niet beter mag weten. Het is toch de triestigheid ten top, als je durft, of gedwongen wordt, goed te kijken naar wat er staat en wat er gebeurt.

De beide ombudsmannen melden in hun inleiding: "Kinderen van gescheiden ouders hebben immers in de regel meer problemen dan andere kinderen. De gevolgen van een scheiding zijn veelal zelfs groter dan bij het overlijden van een van de ouders". We zouden hier kunnen lezen, dat het wegvallen van een ouder minder problemen geeft dan een conflictueuze scheiding waarin voortgezet ouderschap als leidraad geldt. De consequenties van dit losse feit worden in dit stuk vreemd genoeg niet doordacht.
De inzet van deze rapportage lijkt om een scheiding minder erg te maken, dan het overlijden van een van beide ouders. Voorwaar, een nobel streven!
De vraag is of het in deze vorm ook maar in de buurt komt van de verwezenlijking daarvan.

De ombudsmannen melden ook dat er nergens ter wereld zoveel kinderen uit huis zijn geplaatst als in ons land. We kunnen ons inmiddels voorstellen wat er aan de hand is. Onze keten is zo deskundig dat ze in het hart van onze kinderen kan kijken en kan zien wat daar echt leeft. Desondanks wordt in het rapport geconstateerd dat "Er situaties zijn waarin kinderen zelf echt geen contact met een van de ouders willen. (...) De Bureaus Jeugdzorg hebben niet altijd de mogelijkheid om te achterhalen waarom een kind geen omgang met een van de ouders wil". De competentie om diagnoses te stellen van syndromen, zoals PAS zou zijn, is niet aan maatschappelijk werkers, zo betoogden we al eerder. Men is er niet voor opgeleid.


Het is lastig om een gezinsvoogd te verwijten dat zij of hij naar de Ctr-C en Ctr-V toets grijpt als er een rapport moet worden opgesteld. Conflicten bij een omgangsregeling zijn "complex", het is "tijdrovend", men heeft "veel kinderen onder zijn of haar hoede en weinig tijd", de ouders hebben ook "ruzie over andere zaken" dan alleen de kinderen, ze laten zich "slecht motiveren" tot omgang en soms zijn er psychiatrische problemen. Tel daarbij nog op de ook in dit rapport weer wijds geëtaleerde mogelijkheden van valse aangifte wegens sexueel misbruik en geweld, die volgens de auteurs tot waakzaamheid moeten leiden wegens in 1/3 van de gevallen niet kloppend, en iedereen begrijpt waarom er elke maand een andere gezinsvoogd langskomt.


De verdachtmaking aan het adres van de ouder die de beschuldiging doet, was voor ons al eerder reden om naar de mensen te stappen die het verhaal in omloop hebben gebracht. Je kunt ook stellen dat die beschuldigingen in 2/3 van de gevallen kloppen, en de kans op geweld en sexueel misbruik stijgt bij een scheiding, maar het lijkt er op dat ook in dit opzicht het makkelijker is de invalshoek van de pappalobby te kiezen. Waarom zouden we er ons nog druk over maken als deze ideeën - die terug zijn te voeren op de recalcitrante oermoeder die met alle mogelijke middelen haar kinderen weghoudt van de biologische vader - dusdanig onderdeel uitmaken van het gedachtengoed van de elite die haar gedachten goedbetaald mag laten wapperen over de problematiek van onze kinderen? Wat heeft dat voor zin?

Klagen. Dat helpt. Waarom pakken onze kinderen niet de telefoon? Waarom klimmen wij niet in de pen? Pas dan zal men onderkennen dat deze hele problematiek waar we ook kijken wordt aangestuurd door belangen. Want dan zal men zonder moeite wel constateren dat we de ombudsman voor het karretje van onze verongelijkte en hysterische queeste proberen te spannen om alle vaders van hun kinderen te beroven.

Zo vinden we naast de klachten van de kinderen ook een verhaal van een meneer die na jarenlang procederen twee van z'n kinderen weet los te peuteren van de moeder. Deze klacht zou "niet op personen te herleiden zijn". Maar we vinden toch dat dat verhaal zeer sterke overeenkomsten vertoont met dat van rechercheur Bas die eerder in VPRO Thema aflevering "Kwaad bloed" zonder enige wederhoor op 40:25 mocht vertellen dat hij tijdens die 10 jaar wel eens had overwogen om zijn ex met kinderen en zichzelf dood te schieten.
[Off topic: Hoe doen vaders dat toch? Als wij zoiets zeggen dan zijn we hysterisch en staat Jeugdzorg op de stoep met de collega's van pappa Bas om onze kinderen meteen op te halen, maar als een snordrager dat zegt dan is het ontzettend zielig dat hij zo ver gedreven is door zijn ex en de omstandigheden en bekomt hij als bonus eenhoofdig gezag over 2 van z'n 3 kinderen. Wat doen we fout?]

Kortom. Aan dit rapport ontlenen we de indruk dat er geen inzicht is in de effectiviteit van OTS bij omgangsproblemen, dat er geen coördinatie plaatsvindt in de keten, dat binnen instanties op verschillende plekken volgens verschillende maatstaven wordt gehandeld, dat er geen continuïteit is in de personele bezetting van het gezinsvoogdenschap, dat het ontbreekt aan de middelen om van een brakke situatie een half brakke situatie te maken en dat het ondanks al die problemen een goed idee zou zijn om een OTS eerder toe te passen.

Op basis van de toon van uitzichtloosheid in de keten zou het toch onderhand eens denkbaar moeten worden dat er iemand oppert: als we er nou eens gewoon stoppen met dat gesleur aan die kinderen? Wat zouden we dan wel niet aan middelen hebben om nieuwe Maasmeisjes te voorkomen?


Een bezorgde moeder zal door dit rapport "De ondertoezichtstelling bij omgangsproblemen" niet snel gerustgesteld worden. Dat was ook de inzet niet. Het uitgangspunt bestond, voor zo ver we het kunnen bekijken, uit klachten van de wederhelft en uit de ideologische prémissen die door de vertegenwoordigers van die wederhelft in wetten zijn gegoten. Dat kan, en dat is tot daar aan toe. Maar we hebben toch de stellige indruk dat de uitwerking plaatsvond over de hoofden van onze kinderen heen in plaats van in conclaaf ermee. In dat opzicht is het een gemiste kans.

Wie een redelijk accuraat beeld wil hebben over de toestand waarin De Keten op dit moment verkeert en wat zij kan verwachten bij omgangsproblematiek, kunnen we dit rapport van harte aanbevelen.

Het rapport is zonder meer een must voor iedere moeder die de confrontatie aangaat op basis van het enige alternatief wat ook in dit rapport weer onbesproken blijft: soms is het beter dat een bepaalde meneer uit het leven van een achterblijvend gezin verdwijnt en soms geeft dat net zo veel of weinig leed als wanneer die meneer gewoon dood zou zijn.

Ook dit rapport getuigt er van dat dit besef ergens bestaat en leeft, maar het getuigt er ook van dat het, koste wat het ons kost, niet MAG doordringen.

Rapport staat hier.
VPRO-thema met de rechercheur hier.

<< terug naar overzicht