plaatje

  :: nieuws


Bezorgde moeders schrijven leden Eerste Kamer aan

02-10-2008 :: In het kader van onze niet aflatende missie om de politici met verantwoordelijkheidsgevoel te onderscheiden van de verantwoordelijke politici, hebben we opnieuw alle eerste kamerleden, waar we het emailadres van konden opsnorren, benaderd met onze gedachten over het antwoord van de ministers in de laatste Memorie van Antwoord.
Onze tweede open brief vind je hieronder.

Geachte leden der Eerste Kamer,

Aangezien we onderdeel waren van de recent aan de ministers van Justitie en Jeugd en Gezin gestelde vragen met betrekking tot de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding (30.145), voelden we ons ook geroepen om even te reageren op de nadere memorie van antwoord van de Ministers van 25 september jl.

Mogen wij in herinnering brengen dat de PvdA-fractie in het nader voorlopig verslag van uw Commissie van Justitie vroeg: "Is de vrees van de Webgroep Bezorgde Moeders, dat "van de nieuwe wet met haar nadruk op ‘gelijkwaardig ouderschap’ verwacht mag worden dat zij de belangen van kinderen nog verder zal ondergraven omdat er nog vaker tot een omgangsregeling besloten zal worden (...) ook in gevallen waarbij sprake was van huiselijk geweld tijdens het huwelijk, van het voortzetten van mishandeling of seksueel misbruik van de kinderen of mishandelen van de moeder als de kinderen worden overgedragen tijdens een omgangsregeling" ongegrond?"

Betreffende de artikelen 377a, 251a en 253a en ‘individuele gevallen’

Of bovengenoemde vrees ongegrond is, is ons inziens allerminst beantwoord door de ministers. In hun antwoord wordt als uitgangspunt voor de nieuwe wetgeving genoemd dat het in het belang van kind is dat de band met beide ouders bewaard blijft: "In individuele gevallen is er evenwel voldoende ruimte voor een rechter om die beslissing te nemen die hij aangewezen acht. Zie hiertoe artikel 377a, derde lid, waarin de ontzeggingsgronden voor het recht op omgang zijn opgenomen. Ingevolge artikel 253a, vierde lid, zijn deze ontzeggingsgronden van overeenkomstige toepassing op de regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag."

Op een expertmeeting eerder dit jaar, die in opdracht van het Ministerie van Justitie door het Verwey Jonker Instituut werd georganiseerd, stellen rechters zelf dat de jurisprudentie van de Hoge Raad in de praktijk weinig ruimte laat voor het toewijzen van eenhoofdig gezag.
In de individuele gevallen die door de ministers worden genoemd, zou er theoretisch gezien wel ruimte zijn om eenhoofdig gezag toe te wijzen, maar kan die in de praktijk niet benut worden.

Recentelijk meldde prof. dr. Forder (Hoogleraar Europees Familierecht, Universiteit Maastricht en vice-voorzitter NJCM) in een correspondentie met ons: "Hoofdregel is dat gezamenlijk gezag slechts geweigerd mag worden indien het kind hierdoor tussen de ouders 'klem' zal komen te zitten. In twee proefschriften is recentelijk verdedigd dat de mogelijkheden voor de afwijzing van gezamenlijk gezag (het 'klemcriterium') te beperkt zijn. Beide schrijvers stellen dat het belang van het kind verdrongen kan zijn."

Wij zijn zo vrij u er tevens op wijzen dat Bullens en de Ruiter in 2005 reeds meldden dat ontzegging van omgang (op basis van artikel 377a) in de praktijk zelden voorkomt en dat er geen enkele reden is om te verwachten dat met de nieuwe wetgeving hierin verandering zal komen.
In de eerder genoemde expertmeeting werd tevens gesteld dat de criteria voor ontzeggen van omgang en afwijzen van gezamenlijk gezag, beter op elkaar moeten aansluiten: als er al omgang wordt ontzegd, houdt dit allerminst in dat eenhoofdig gezag wordt toegewezen aan de zorgende ouder.

Eén van de andere redenen - buiten de genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad - waarom weinig ontzeggingsgronden kunnen worden ‘gevonden’ is ironisch genoeg, dat de voorgeschiedenis van ouders niet ter discussie wordt gesteld, omdat het kind centraal zou staan.
Ook zaken waarbij aantoonbaar sprake is geweest van huiselijk geweld (met verhoogd risico op voortzetting bij omgang), worden als "gewone omgangszaken" behandeld, vanwege het hiaat tussen strafrecht (veroordeling wegens huiselijk geweld) en familierecht waarin een voorgeschiedenis van huiselijk geweld niet of nauwelijks wordt meegewogen.

Betreffende de omvang van de groep ‘individuele gevallen’

Hoe groot is die groep van individuele gevallen eigenlijk en hoe terecht is het dat maar zelden ontzegging voor gezamenlijk gezag c.q. omgang wordt toegepast?

In 20% van de scheidingen van alle gezinnen met kinderen, geeft de moeder aan dat lichamelijk geweld een rol speelt (tegen 1% van de vaders). In 4% van de scheidingen krijgt de moeder éénhoofdig gezag; meestal is er in die gevallen sprake van huiselijk geweld.
Op dit moment wordt in slechts 3-4% de omgang met de uitwonende ouder afgewezen, deels wegens huiselijk geweld (E-Quality, 2008).

Bij 16-17% van de scheidingen is er sprake geweest van huiselijk geweld, maar blijkt er ook gezamenlijk gezag én gedwongen omgang met een geweldpleger. Uit andere bronnen is bekend dat na de scheiding ongeveer net zoveel vrouwen mishandeld worden als voor de scheiding (Advies- en onderzoeksgroep Beke, 2007).

In de recent verschenen 'Factsheet huiselijk geweld augustus 2008', waarin het kabinet de grote lijnen voor de komende drie jaar uitzet, worden ex-partners expliciet genoemd als slachtoffers van huiselijk geweld. De erkenning van dit probleem staat ons inziens haaks op de vigerende en nieuwe wetgeving en de bestaande jurisprudentie. Het zou dan ook van inzicht getuigen om het beleid inzake huiselijk geweld niet deels te ontkrachten middels wetgeving waardoor de kans op recidive vergroot wordt.

Een ander punt wat we hier nog willen aansnijden is, dat fysieke mishandeling van moeders in het bijzijn van hun kinderen overal, behalve binnen het familierecht, als geestelijke mishandeling van kinderen wordt aangemerkt - onder andere ook expliciet in voornoemde factsheet.
Over het fysieke en/of seksuele geweld tegen kinderen binnen gezags- en omgangsregelingen zijn voor ons land geen cijfers bekend.
Gezien de schrikbarende cijfers over kindermishandeling in Nederland en het feit dat blijkbaar zelden ontzeggingsgronden voor gezag en omgang gevonden worden, gaat het hier naar alle waarschijnlijkheid niet om slechts een handjevol ‘individuele gevallen’. We vragen ons dan ook ernstig af wie de ministers met die 'individuele gevallen' bedoelen.
Het kan niet anders of er zijn in Nederland een behoorlijk aantal getuigen van huiselijk geweld die volgens de ministers ‘een blijvende band dienen te bewaren’ met de geweldpleger.

Betreffende artikel 8 van het EVRM en ‘individuele gevallen’

In een reactie op het proefschrift van Jepessen-de Boer beklemtonen de Ministers wederom de mogelijkheden om via de artikelen 377a, 251a en 253a ‘in die gevallen dat gezamenlijk gezag niet in het belang van het kind blijkt’ de veiligheid van het kind te waarborgen.

Zij stellen eveneens dat het niet voor de hand ligt om terug te keren naar de situatie van voor 1998. De conclusie van Jeppesen-De Boers onderzoek komt daar wel op neer; een situatie die voor deze regering ondenkbaar is. Hoewel een terugkeer de problemen van onze achterban goeddeels zou oplossen, zien we er net als de wetgever ook de nadelen van in.

We pleiten daarom voor een meer uitgebreidde wetgeving waarin precies wordt vastgelegd wanneer er sprake is van een 'individueel geval' waarbij de interpretatie van de Hoge Raad van artikel 8 van het EVRM niet langer ‘altijd omgang’ betekent maar het tweede lid van dat artikel [dat o.i. juist betrekking heeft op die 'individuele gevallen'] prevaleert boven de rechten van de uitwonende ouder.

Totdat dat is vastgelegd in de wet, is er in Nederland geen sprake van omgangsrecht maar van omgangsplicht. Rechters kunnen op dit moment niet anders dan omgangsregeling na omgangsregeling opleggen, omdat er geen criteria zijn waarmee zij de belangen van het kind kunnen afwegen tegen die van de uitwonende ouder.

De voorliggende wetgeving is eerder een erkenning en bevestiging van deze impasse, dan een oplossing ervoor.

Kennelijk moet er eerst tot de Hoge Raad geprocedeerd worden om de belangen van het kind juridisch te waarborgen. Dat klinkt als luiheid van de wetgever; zeker als je bedenkt dat het in Denemarken wel kan. Onder invloed van de nodige media-aandacht zijn daar 500 extra pagina's opgenomen in het wetboek die de situaties beschrijven waarin de kinderrechten bij scheiding zwaarder wegen dan die van de vader.

Volgens onze bescheiden mening staat de wijze waarop de Hoge Raad artikel 8 van het EVRM heeft toegepast in het voordeel van de verwekker, op gespannen voet met artikel 19 (1) van het Kinderrechtenverdrag (bescherming tegen lichamelijk of geestelijk geweld) en (tenminste) artikel 16 van het Vrouwenverdrag (gelijkheid van vrouwen en mannen in het gezin).
Daarnaast zijn er nog de aanbevelingen en conclusies van het CEDAW (Committee of the Elimination of Discrimination against Women) die zijn opgesteld naar aanleiding van de bespreking op 24 januari 2007 van de vierde Nederlandse voortgangsrapportage over de implementatie van het VN Vrouwenverdrag, waarin duidelijk bezorgdheid wordt uitgesproken over het sekseneutrale beleid ten aanzien van huiselijk geweld.
Dit alles nog los van het feit dat in het geval van huiselijk geweld natuurlijk fundamentele rechten van de moeder in het geding zijn. (Zie ook prof.dr. Boerefijn (Opzij leerstoel): 'Mensenrechten van vrouwen en kinderen: botsende rechten?' 2007).

Betreffende bijzondere curators en ouderschapsplannen in ‘individuele gevallen’

Tot slot willen wij ten aanzien van de opmerkingen over de bijzondere curator en ouderschapsplan de gezaghebbende juristen Gabbi Mesters, Berna Kramer, Doef van Kempen en Sara Etty citeren, die reeds in 2005 schreven over scheidingen waarin sprake is van huiselijk geweld:

"In dergelijke situaties kan men vraagtekens plaatsen bij de verplichting voor partijen om samen een ouderschapsplan op te stellen of om zich tot een mediator te wenden voordat zij hun geschil aan de rechter kunnen voorleggen. Dit staat op gespannen voet met de visie van de Raad van Europa en de EU, waarin family mediation in situaties van partnergeweld nadrukkelijk ongeschikt wordt geacht vanwege de grote mate van machtsongelijkheid en de onveiligheid die in dergelijke situaties overheerst. Daarbij rijst de vraag of mediation in geval van huiselijk geweld wel zinvol en wenselijk is. Tussen slachtoffers van huiselijk geweld en pleger bestaat per definitie een ongelijke machtspositie die zich zal vertalen in de uitkomst van de mediation. Door de toegang tot de rechter afhankelijk te stellen van een vooraf door partijen te sluiten bindende overeenkomst (het ouderschapsplan), wordt bovendien het beginsel van eerlijke procesvoering en vrije toegang tot de rechter, zoals vastgelegd in artikel 6 Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens, geschonden."

Wij verzoeken u opnieuw dringend om op grond van bovenstaande argumenten en het feit dat er geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de wetsverandering in 1998 in die gevallen waarbij huiselijk geweld een rol speelt, het wetsvoorstel voor de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding (30.145) af te wijzen.

De nieuwe wet zal (net als de huidige) zonder duidelijke definities wanneer de door de ministers in de Memorie van Antwoord genoemde uitzonderingsartikelen van toepassing zijn, in minimaal 15 procent van de scheidingszaken aanleiding zijn tot schendingen van vrouwen- en kinderrechten.

Aan u de verantwoordelijkheid.

Met vriendelijke groet,

Webnetwerk Bezorgdemoeders.nl

bezorgdemoeders@bezorgdemoeders.nl
http://bezorgdemoeders.nl

P.S.: We zijn geen werkgroep van één bezorgde moeder, zoals in het memorie van antwoord abusievelijk wordt gesteld, maar een netwerk waar zich binnen één jaar over de honderd ‘individuele gevallen’ hebben gemeld, variërend van kinderen die worden gedwongen om met strafrechtelijk veroordeelde incestplegers en de moordenaars van hun moeders om te gaan, tot moeders van aangetoond fysiek mishandelde kinderen die lijfsdwang opgelegd hebben gekregen omdat zij (zich onder andere beroepend op artikel 11 van onze eigen grondwet) weigerden om deze kinderen opnieuw bloot te stellen aan hun mishandelaar.

Bronnen:

<< terug naar overzicht